Opinie

De belastingen moeten juist omhóóg

Belastingplan

Politiek Den Haag deelt graag cadeaus uit aan de kiezer maar wel op afbetaling. De overheid geeft niet te veel uit, betoogt Hans Wansink, maar krijgt te weinig binnen om onze voorzieningen op peil te houden.

Staatssecretaris van Financiën Eric Wiebes (VVD) tijdens de behandeling van het Belastingplan 2016 in de Eerste Kamer op 21 december. Beeld Bart Maat / ANP

Eind goed, al goed. Dinsdagavond 22 december stemde de Eerste Kamer alsnog in met de zoveelste versie van het Belastingplan van VVD-staatssecretaris Eric Wiebes. De vijf miljard aan lastenverlichting voor de hardwerkende Nederlander werd voor 2016 op het nippertje veiliggesteld.

Het was, vanaf de zomer, een zenuwslopend proces geweest. In juni werd al duidelijk dat nieuwkomer Wiebes in de loopgraven van het Binnenhof in een stellingenoorlog was beland, die op zijn best in een wapenstilstand zou kunnen eindigen. Hij liet de ambitie om het belastingstelsel bestendig te maken voor een duurzame toekomst al gauw varen. Wat deze week overbleef, was niet meer dan een fooitje voor de kiezer, gefinancierd op de pof.

De Tweede Kamer ging in november akkoord met de voorlaatste versie van het uitgeklede plan, met dank aan het CDA, maar zonder D66. Dat leverde een groot probleem op in de Eerste Kamer, waar de regeringscoalitie van VVD (13 zetels) en PvdA (8) maar liefst 17 zetels tekort komt voor een meerderheid. Tel daar 12 zetels van het CDA bij op, en je komt er nog 5 tekort. Nu hebben ChristenUnie en SGP precies de benodigde 5 zetels in de senaat, maar Rutte besloot hoogstpersoonlijk D66, goed voor 10 zetels, binnenboord te trekken. Met het oog op komende kabinetsformaties is het immers niet handig om Pechtold rechts via de kerktoren van Staphorst te passeren.

Complicatie daarbij was dat de oppositiepartijen CDA en D66 elkaar het licht in de ogen niet gunden. De concessies om D66 aan boord te hijsen mochten vooral niet het CDA tegen de haren in strijken. Uiteindelijk gingen drie senatoren van D66 op de zondagavond na Sinterklaas bij de staatssecretaris thuis akkoord met twee boterzachte beloften, waarvan er één - 'te bezien of alle kolencentrales dicht kunnen' - niks met het onderwerp te maken had. De ander was het voornemen om een wetsvoorstel in te dienen waarin gemeenten zelf voor 4 miljard belasting zouden kunnen innen. Dat plan zou in 2019 moeten ingaan - waarbij de gemeenten via een korting op het Gemeentefonds de rekening zelf zouden moeten betalen. D66 was door de pomp gegaan, analyseerde Sybrand Buma van het CDA, want de Democraten konden zich niet veroorloven de kiezers een lastenverlichting van 5 miljard door de neus te boren.

Voor de liberaal Wiebes was het helemaal onvoorstelbaar dat een weldenkende politicus het in zijn hoofd zou halen om verlaging van de belastingen te versmaden. Het zou wel van enorme hoogmoed van de politieke klasse getuigen om beter te weten dan de kiezer zelf waaraan die zijn of haar zuurverdiende centen zou moeten spenderen.

Die redenering zou kloppen wanneer de boekhouding van de overheid sluitend zou zijn. Maar dat is helemaal niet zo: de overheidsuitgaven zijn miljarden hoger dan de inkomsten. Die vijf miljard die Wiebes vanaf volgend jaar extra tekortkomt, moet hij dus lenen op de kapitaalmarkt. Het begrotingstekort, dat dit jaar eindelijk weer eens binnen de Brusselse normen blijft, zal weer oplopen. Het gevaar is dan ook levensgroot dat de overheidsfinanciën bij de minste economische tegenwind weer uit de rails lopen.

Duur banenplan

De kern van het Belastingplan bestaat uit drie ingrepen: een hogere arbeidskorting voor iedereen die werkt, verlaging van de 42 procentsschijf naar 40,5 procent en het oprekken van de derde schijf, waardoor belastingbetalers 8 000 euro later in het toptarief van 52 procent komen. Zo gaan werkenden er gemiddeld 2,5 procent op vooruit, mensen met een uitkering blijven steken op plus 0,3 procent en gepensioneerden op 0,2 procent.

Deze combinatie van maatregelen zou 35 000 banen moeten opleveren. NRC Handelsblad leverde daarop het even juiste als bijtende commentaar: 'Wie gelooft in het theoretische model dat dit Belastingplan 35 000 banen oplevert, kan berekenen dat het wel een erg duur banenplan is: bijna 143 000 euro per baan.'

Wat zou er zijn gebeurd als de Eerste Kamer eergisteren het Belastingplan had afgestemd? Dan zou de 5 miljard ten goede zijn gekomen aan aflossing van de staatsschuld. Wat mij betreft zou dat al een veel betere bestemming zijn dan deze onzalige lastenverlichting-op-krediet.

Na jarenlang bezuinigen onder Lubbers, Kok en Zalm was de staatsschuld weliswaar in absolute termen gestegen, maar toch tot hanteerbare proporties teruggebracht. Door nationalisaties en steunverlening aan de banken als gevolg van de kredietcrisis liep de staatsschuld als percentage van het bruto nationaal product echter weer pijlsnel op: van 45 procent in 2007 tot 74 procent in 2013. Op dat, ook naar Brusselse normen te hoge, niveau zitten we nog steeds.

En dan hebben we het nog niet eens gehad over onze particuliere schuldenberg. Sinds de jaren tachtig is de gemiddelde hypotheekschuld als percentage van het beschikbare inkomen gestegen met een factor 4,5: van 51 naar 234 procent. De Nederlandse overheid werkte dit in de hand door riante aftrekmogelijkheden van de rente te bewerkstelligen, evenals garanties die banken in staat stelden leningen te verstrekken die hoger waren dan de waarde van de huizen. Na 2008 kwamen honderdduizenden huizen 'onder water' te staan.

Dat was niet alleen pech voor de boven zijn stand levende eigenaar, maar had ook zijn weerslag op de consumptieve bestedingen van de Nederlanders gezamenlijk. Die zakte bij ons verder in dan in de buurlanden waar de persoonlijke kredietverlening minder royaal is. Vandaar dat president Klaas Knot van De Nederlandsche Bank terecht pleit voor verdere inperking van hypotheekaftrek - waarvoor hij in Den Haag de handen niet op elkaar krijgt.

Zolang onze kredietwaardigheid op de financiële markten niet in twijfel wordt getrokken, betalen we minder rente dan de zuidelijke eurolanden, maar we maken ons wel van die markten afhankelijk. De crediteuren op die financiële markten schrijven als het ware voor welke maatregelen nationale staten moeten nemen om hun kredietwaardigheid te behouden.

Soevereiniteit inleveren

Dat is niet alleen een financieel probleem, maar ook een politiek probleem. Hoe meer een staat leent om zijn uitgaven te financieren, hoe meer soevereiniteit hij inlevert. In Griekenland of Ierland kunnen ze daarover meepraten: daar wordt de politieke agenda sinds jaar en dag niet door de belastingbetalers bepaald, maar door de internationale schuldeisers. Niettemin geldt ook voor Nederland dat de marges voor vrije besteding van overheidsuitgaven heel smal zijn.

Om baas in eigen huis te blijven is het dus beter om belasting te heffen dan om schulden te maken. Al kan het zijn dat Wiebes en Buma daar anders over denken. Liberalen en christen-democraten betoogden immers vanaf de jaren tachtig dat het beter was om het economisch beleid weg te halen uit het domein van de politiek en toe te vertrouwen aan instituties waarop belangengroepen en politici geen vat hadden. In het licht van de ontsporing van de verzorgingsstaten in de jaren zeventig, was dit democratisch pessimisme goed te begrijpen.

Kiezers, pressiegroepen en politieke partijen, zo luidde de redenering ter rechterzijde, waren voortdurend onverantwoord bezig de staatskas voor hun eigen hobby's te plunderen, wat onvermijdelijk zou leiden tot potverteren en tot aantasten van het concurrentievermogen van de natie.

Vandaar dat de ruimte voor nationale democratische besluitvorming zou klein mogelijk moest worden gehouden en het financiële beleid moest worden uitbesteed aan onafhankelijke centrale banken en moest worden ingesnoerd in (supra-)nationale regelgeving.

Dit programma werd vanaf de jaren negentig ook in de Europese Unie doorgevoerd, met als sluitstuk de gemeenschappelijke Europese interne markt en de invoering van de euro. Maar terwijl de invloed van nationale electoraten, vakbonden en politieke bewegingen in snel tempo afnam, namen de schulden van de nationale overheden juist toe; de verlokkingen van de geliberaliseerde kapitaalmarkten bleken onweerstaanbaar. Het adagium dat de kiezer/belastingbetaler zo ver mogelijk van het financiële beleid moet worden gehouden omdat de financiële markten het beter kunnen, ging opeens niet meer op.

Sterker nog: landen waar het belastingpeil hoog is, zoals de Scandinavische landen, doen het wat betreft economische groei, arbeidsparticipatie en armoedebestrijding beter dan Angelsaksische landen als het Verenigd Koninkrijk, Ierland en de Verenigde Staten. Werknemers wisselen gemakkelijker van baan als ze een goede sociale bescherming hebben. Daardoor kunnen landen als Zweden, Finland, Noorwegen en Denemarken zich snel aanpassen aan veranderingen op de wereldmarkten. Ook de superieure kwaliteit van hun collectieve voorzieningen is van positieve invloed op hun concurrentievermogen.

Nederland heeft een lager niveau van collectieve lasten dan de Scandinavische landen. Onder invloed van jarenlange bezuinigingen en privatiseringen staan de kwaliteit en toegankelijkheid van onderwijs, onderzoek, zorg en infrastructuur bij ons onder druk. Ook op andere terreinen, denk bijvoorbeeld aan de krijgsmacht, de inlichtingendienst AIVD en de verschraling van kunst & cultuur, is de rek er zo langzamerhand uit. Van mensen met een uitkering worden - soms onredelijke - tegenprestaties verwacht.

Met andere woorden: ons probleem is niet dat de overheid teveel uitgeeft, maar dat de overheid te weinig binnenkrijgt. De belastingen moeten dan ook niet omlaag, maar omhoog.

Smeerolie weggespoeld

Aanvankelijk was het trouwens helemaal niet de bedoeling om de belastinghervorming aan te grijpen voor lastenverlichting. Die 5 miljard was oorspronkelijk alleen bedoeld als smeermiddel: om degenen die na de hervormingen slechter af zouden zijn te compenseren.

Nu die smeerolie door het afvoerputje van het Binnenhof is weggespoeld, is de kans op een hervorming van het belastingsstelsel voor jaren verkeken. Dat ontneemt ons de mogelijkheden om de opbrengst van de belastingen te vergroten, bijvoorbeeld door vermogens progressief te belasten, te snoeien in de mallemolen van toeslagen en door het fiscale regime voor de eigen woning en de pensioenen aan te scherpen.

En dan moeten we het tot slot nog even hebben over het klimaat. Net nu na de succesvolle top in Parijs het momentum voor een verschuiving van de belasting op arbeid naar consumptie, vervuiling en energie groter is dan ooit, laat de politieke klasse het afweten. Vergroening is mooi, tot en met Tweede Kerstdag.

Nieuw! Ontvang elke dag de Volkskrant Avond Nieuwsbrief in uw mailbox, met het nieuws van vandaag, tv-tips voor vanavond, en alvast zes artikelen uit de krant van morgen. Schrijf u hier in.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.