ESSAYHET BELANG VAN FEEST

De behoefte aan feesten en festivals mogen we best wat serieuzer nemen

Aan ‘even’ geen feest gaat meer dan een leuke tijd verloren. Het gemis aan festivalgevoel is niet alleen een luxeprobleem, weet Gidi Heesakkers.

Festivals als Lowlands vormen welkome sociale lijm, die we deze zomer moeten missen.Beeld ANP

Mijn ouders betaalden mijn eerste Lowlands-kaartje. Ik was 17 jaar, en vooral mijn vader had voor zijn bedaarde doen laaiend enthousiast gereageerd toen ik vertelde over het plan om naar een festival te gaan. Zó enthousiast dat hij, ooit nogal een feestnummer, meteen aanbood die ervaring te bekostigen en de eerste gang naar Biddinghuizen te beschouwen als het sluitstuk van de opvoeding en mijn puberale ontworsteling: ‘De sfeer op zo’n festival is wel zoiets bijzonders, dat móét je een keer meegemaakt hebben.’

Mijn moeder memoreert op haar beurt graag hoe ze mij de maandag na Lowlands aantrof op station Boxtel, kapot, meurend (ik dacht toen nog dat je op een festivalcamping niet hoorde te douchen) en in een geluksroes die nog dagen aanhield.

Er valt onmogelijk een originele anekdote te peuren uit mijn euforische thuiskomst. Voor zoveel jongeren is de ontdekking van het festival de ontdekking van iets anders, iets betekenisvols dat voortkomt uit het ‘platte’ genot van samen dansen en nieuwe muziek ontdekken in een volgepakte tent, bier drinken uit plastic bekers, flirten, misschien voor het eerst een lik mdma nemen en pizza, hamburgers, friet, loempia’s en een pannenkoek in één etmaal eten.

Dus toen eind april de complete festivalzomer werd geannuleerd, dacht ik aan de jonge mensen die dit jaar niet voor het eerst (of voor de zoveelste keer) naar een festival gaan, en die daarover van strenge anderen niet te hard mogen klagen, want: ziekte, honger, oorlog, eenzame opsluiting en andere échte rampspoed.

‘Wat ben ik blij dat ik niet jong ben tijdens deze coronacrisis’, schreef Aleid Truijens begin mei in deze krant, gevolgd door een opsomming van dingen die jongeren moeten doen en vooral laten. ‘Jongeren leggen nu hun leven lam voor een ziekte die henzelf niet treft, om te voorkomen dat hun ouders en grootouders voortijdig sterven.’

Haar column maakte veel los bij lezers. Eef Peelen uit Hasselt viel Truijens bij en richtte zich in een ingezonden brief tot haar medezestigers: ‘Als 60-plussers hebben wij allemaal ruimschoots gehad wat jongeren nog maar moeten zien te krijgen. ‘Leef’-tijd.’ Theo Abbingh uit Dwingeloo had weinig medelijden met de jeugd, die geen tegenslag gewend is. ‘Bedenk dat terrasjes, wereldreizen, borreltjes en festivals luxe is.’

Diepgevoelde behoefte

Hoe dramatisch kan het zijn, een jaar geen grootschalige samenkomsten in clubs, op festivals, geen volle bak in het café? Wie betreurt dat-ie ‘even’ niet naar Berlijn, De School, Defqon.1 of Woo Hah! kan, heeft een luxeprobleem, en al te luid over luxeproblemen zeuren doe je niet, zeker nu niet – behalve als je een verwende, hedonistische, alleen maar aan zichzelf denkende millennial of een tiener uit de generatie daarna bent, dan natuurlijk wel.

Het is gemakkelijk makkelijk doen over het gemis van feest, met de dooddoener aller dooddoeners ‘er zijn ergere dingen’. Er zijn ergere dingen, we kunnen even zonder. Maar toch: is linksvoor in een broeierige festivaltent verzamelen met vrienden, bekenden en onbekenden, dansen, lachen en ouwehoeren niet ook gewoon een diepgevoelde menselijke behoefte? Een behoefte die je eenvoudig kunt wegzetten als wuft, maar die toch ook echt een gat slaat als het ons onmogelijk wordt gemaakt? Moet je die drang dus niet serieus nemen, zonder er lacherig of aanmatigend over te doen?

Absoluut wel, vond de Amerikaanse journalist Barbara Ehrenreich (1941), die er een studie van maakte in haar boek Dancing in the Streets: A History of Collective Joy. Dat mensen zin hebben om samen in extase te raken van muziek, drinken, dansen enzovoorts is zo oud als de beschaving zelf, schrijft Ehrenreich.

In het boek bespreekt ze de bacchanalen die de Romeinen organiseerden, religieuze feesten, volksrituelen en festiviteiten rondom hedendaagse sportevenementen. Ze benoemt wat óók van alle tijden is: er is altijd een groep mensen die met verbazing of zelfs afkeer kijkt naar een andere groep die toegeeft aan de neiging om ongeremd, verkleed, gemaskerd en/of onder invloed plezier met ­elkaar te maken. Altijd stond er wel een elite klaar die in zo’n wilde, onbeschaafde, haast dierlijke samenkomst een bedreiging zag voor de openbare orde en de sociaal-culturele hiërarchie; hun macht.

Festivalgevoel

Feesten heeft door de eeuwen heen nooit hoog op de prestigeladder gestaan, dat is wel duidelijk. Uitgaan is een vermakelijke bezigheid, ja, maar verder? Ook de kunst heeft het van oudsher moeilijk als ze de eigen belangwekkendheid moet verdedigen, maar van kunst lijken mensen toch nog sneller geneigd te zeggen dat het een soort van ‘zin’ heeft. Kunst zou tenminste nog geestverheffende, intellectuele behoeften aanspreken, althans: dat valt te betogen.

En feest dan? Dat specifieke en tegelijkertijd zo vage ‘festivalgevoel’ waar festivalgangers het altijd over hebben? Staat snakken naar die sfeer niet voor iets groters?

Met de documentaire Life @ Lowlands (VPRO, 2013) deed Lisa Boerstra een poging uitdrukking te geven aan dat moeilijk in woorden te vatten, allesbehalve eenduidige sentiment. Ze volgde een groepje doorgewinterde bezoekers, maar ook drie vriendinnen van 17 die voor het eerst naar Lowlands gingen, met alle bakvisserij van dien.

Uit de omschrijving van haar film: ‘door de gezamenlijke beleving van muziek lossen de vriendinnen uiteindelijk op in de zwerm en worden ze deel van het festival’. Tussen de beelden van hen tussen de andere aanwezigen monteerde Boerstra shots uit natuurfilms; bij het uitzinnig betreden van het terrein een huppelende gazelle, bij een quote over zien en gezien worden een paradijsvogel, bij een met (You Gotta) Fight for Your Right (to Party!) meeblèrende rocker een brullende aap.

Bioloog en vaste bezoeker Jeroen analyseerde mee in de richting van de festivalganger als (groeps)diersoort die zichzelf in een natuurlijke behoefte voorziet: ‘Lowlanders zijn als bonobo’s: ze lossen conflicten op met seks in plaats van agressie.’

Oplossen in een zwerm van gelijkgestemden, saamhorigheid, verbondenheid: wie het festivalgevoel omschrijft, bezigt al gauw de taal waarmee ook carnavalsvierders mensen die niks met carnaval hebben proberen uit te leggen dat hun feest méér is dan een slempdriedaagse. Iedereen gelijk, lang leve de lol, voor even de alledaagse bezigheden en zorgen vergeten en een veel lagere drempel om tegen volslagen onbekenden aan te lullen of een wildvreemde te versieren.

Ook dat laatste zal trouwens node worden gemist deze zomer. Festivals zijn een liefdesgenerator, voor één nacht, langer of altijd, een mogelijkheid in ieder geval om iemand te ontmoeten die je niet op de een of andere manier al kent, maar met wie je alvast gemeen hebt dat je allebei graag hier wilde zijn.

Erfgoed

Extatische genoegens putten uit muziek, dansen en gekkigheid is ‘onderscheidend menselijk erfgoed’, concludeert Barbara Ehrenreich in Dancing in the Streets, een vermogen dat ingebakken zit en zich maar moeilijk laat onderdrukken. Juist in een gejaagde wereld die alsmaar individualistischer is geworden, kunnen we de wens om elkaar op te zoeken in een uitbundige massa maar beter koesteren.

Feesten is een lekkere uitlaatklep, die ook de ‘verwende’, best zwaar belaste jonge generatie kan gebruiken. Maar het is evengoed welkome sociale lijm, een kans – zoals Ehrenreich het vrij pompeus verwoordt – ‘om het wonder van ons gelijktijdig bestaan te erkennen’, en te vieren.

Iets dergelijks moet haast wel de kern vormen van dat dierbare festivalgevoel, een reden waarom het voor een heleboel mensen zo vervullend is om zich over te leveren aan collectieve feestvreugde. Het besef onderdeel te zijn van een groter geheel komt niet elke dag zo prettig simultaan aan de oppervlakte.

Er was iets veranderd toen ik de maandag na Lowlands uitstapte op station Boxtel, hoe pathetisch dat ook klinkt. Drie dagen en nachten in Biddinghuizen hadden mijn uitzicht weidser gemaakt, precies waarop ik al een poosje zat te wachten in Lennisheuvel, het dorp met 1.100 inwoners waar ik me helemaal niet ongelukkig voelde, maar ook nooit helemaal op mijn plek.

Op de festivalweide vond een langverwachte kennismaking plaats met een veelheid aan types, tienduizenden mensen die genoten van dezelfde dingen als ik. De feestende massa weerspiegelde een veelbelovende, vrijere manier van leven die ik hopelijk kon vasthouden in Utrecht, waar ik zou gaan wonen en studeren. De nagenietfilosofie van een plattelandskind over het festival als openbaring van een ‘andere wereld’ waarin iedereen met iedereen praat, een op zichzelf staande samenleving in een samenleving – wat een cliché, maar niet voor niets.

In de zomers die volgden trok ik van festival naar festival, in Nederland, Duitsland, Kroatië en België. Met de blik waarmee je als tiener en begin-twintiger naar ‘oude mensen’ (dertigers, veertigers) kijkt, zeiden mijn vrienden en ik tegen elkaar: hier kunnen we nog jaren terecht. Voor bepaalde cafés worden we misschien te oud, dachten we toen, het festival zal de eeuwige jeugd altijd welkom heten.

Als een pandemie niet tussenbeide komt.

Ik ben intussen 31 en verheugde me erop om deze zomer naar Best Kept Secret te gaan, naar Down The Rabbit Hole en Dekmantel Festival. In plaats daarvan ben ik benieuwd geworden naar de uitwerking van gezamenlijk uitgestelde zin in plakkerige dansnachten, die mooie dingen kan betekenen voor de met-z’n-allengeest van het feest.

Niet iedereen mist feest, maar voor wie ervan houdt, gaat er nu meer dan ‘slechts’ een leuke tijd verloren. Juist ook voor de jongeren die nog niet weten wat ze missen, en die niet weten wat ze meemaken als ze straks voor het eerst naar een festival gaan.

Lees ook

Geen festivals? Dan maar paardenstaart wieden op de bioboerderij
Het evenementenseizoen eindigde dit jaar voordat het was begonnen. Veel jongeren zitten daarom deze zomer zonder werk. Biologische boeren bieden een uitweg uit de verveling. ‘Ik miste ritme en begon me een lapzwans te voelen tussen mijn – overigens weinig jaloersmakende – videocallende huisgenoten.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden