ColumnIbtihal Jadib

De actieradius van Ibtihal beperkt zich tot de speeltuin en terug

null Beeld Aisha Zeijpveld
Beeld Aisha Zeijpveld

Ik zat op een bank in de speeltuin uit te hijgen van een voetbalpotje met mijn zoon toen een vrouw bij de schommel haar genadeloze lot tegemoetging. Ze had al zeker 20 minuten lang met engelengeduld haar dochtertje staan duwen toen ze besloot dat het nu dan echt afgelopen moest zijn met de pret. Eerdere pogingen had de moeder vruchteloos gestaakt omdat het meisje telkens hevig had tegengesputterd, maar inmiddels begon het te schemeren en zou weldra het avondeten op tafel worden gezet. Daar had haar peuter uiteraard geen boodschap aan en hoewel ik wist wat er zou komen, was ik onder de indruk van de scène die volgde. Shakespeare zou er geen groter drama van hebben kunnen maken.

De moeder begon aanvankelijk half gebiedend, half smekend, tot zij zich realiseerde dat de wederpartij niet in de geringste mate bereid was tot onderhandeling en ze snel moest doorschakelen naar de strategie van fysieke overmeestering. Theoretisch gezien zou dat een fluitje van een cent moeten zijn; zelfs de meest doorvoede peuter staat in gewicht en spierkracht niet in verhouding tot een volwassen persoon. De ervaring leert echter dat zo’n klein opdondertje over een verbazingwekkende hoeveelheid woede beschikt en die onuitputtelijke energiebron weet te combineren met indrukwekkende guerrillatechnieken. Terwijl de moeder vingertje voor vingertje het ene knuistje lospeuterde van de schommel, had haar dochter met het andere knuistje diezelfde schommel alweer stevig beet en schopte ze met haar laarzen in de buik van haar moeder dat het een lieve lust was. Het geluidsniveau had het meisje intussen opgevoerd tot standje permanente gehoorschade, maar de moeder bleef verbeten het kind loswrikken omdat ook in haar inmiddels een woedestorm was opgestoken. De kwestie was uitgegroeid tot een erezaak. Ik overwoog de moeder te hulp te schieten maar twijfelde of mijn bemoeienis effect zou sorteren, en of die überhaupt gewaardeerd zou worden. Laf bleek ik op het bankje zitten waar ik mijn blik liet rusten op mijn eigen kind, intens dankbaar dat hij in de volgende levensfase was aangekomen. Hij voelde kennelijk aan dat hij nu de braverik was: ‘Kijk mama, dat kindje wilde eerst niet stoppen met schommelen en nu wil ze ook niet in de kinderwagen, wel een beetje stout hè?’ Ik dacht aan alle keren dat ik hem met man en macht in de autostoel probeerde vast te gespen terwijl hij een duiveluitdrijving naspeelde. Dat gaat inderdaad allemaal voorbij, geheel vanzelf.

Thuisgekomen riep manlief: ‘Handen wassen jongens, we gaan eten!’ Het rustige, saaie leven van de lockdown kabbelde maar voort, onze actieradius beperkte zich tot de speeltuin en weer terug. Zwijgend gingen we aan tafel, we hadden elkaar niets meer te vertellen. ‘Pff de rek is er wel echt uit, hoor,’ klaagde ik hardop, ‘hoeveel langer moet dit allemaal nog duren?’ Even later ging de telefoon, een goede vriend sprak met trillende stem. Zijn zus was net overleden. Corona. Ze was van onze leeftijd en lag thuis op de bank uit te zieken totdat de ademnood ineens zo hoog was geworden dat de hulpverlening haar voordeur moest intrappen. Geschrokken staarden we de rest van de avond voor ons uit. We hadden elkaar niets meer te vertellen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden