De achilleshiel van een historisch waagstuk

De Europese Unie zal democratisch zijn of niet zijn. Europese burgers hebben dat signaal al vaak afgegeven. Tevergeefs. Nu de Britten afhaken, resteert er weinig tijd voor echte hervormingen.

Het hoofdkantoor van de Europese Unie in Brussel. Beeld ap

Het was dus toch geen grapje, dat democratisch tekort. Geen abstract probleem dat kon worden opgelost met een surrealistische oplossing: een 'Europees Parlement' dat niet de burgers in Europa vertegenwoordigde, maar veeleer 'Europa' leek te vertegenwoordigen tegenover de burgers (en vaak: de nationale politici).

Nu is Leiden in last.

Maar toch: misschien maar goed ook. De kern van onze manier van samenleven is immers hoe we besluiten nemen. Democratisch, dus. Er zijn vele manieren waarop je een democratie kunt inrichten, vele smaken en varianten. De EU-lidstaten hebben door de jaren heen geprobeerd hun van bovenaf opgelegde bovenstatelijke besluitvorming democratischer te maken. Of in elk geval een democratisch tintje te geven, zeker toen er van onderen, van de burgers dus, klachten opborrelden.

De conclusie moet zijn dat die pogingen zijn mislukt. Teveel burgers prikken door die democratische opsmuk heen. If it walks like a duck and talks like a duck, it must be a duck. En deze eend is niet democratisch. Maar wie de reacties aanhoort van de Franse president Hollande (nu snel verdere integratie!) of onze eigen Alexander Pechtold (nu zal de burger het licht zien!) kan niet aan de indruk ontkomen: je hebt Europese eendjes die gewoon blijven doorkwekken, ook nu hun kop er af is.

Uitvluchten

Er bestaat in tijden van rampspoed - en het Britse vertrek uit de Europese Unie maakt dit zo'n tijd - de natuurlijke neiging uitvluchten te zoeken, kleine en grote zaken met elkaar te verwarren en de schuld te geven aan de domheid van de burger. Allemaal heel begrijpelijk. Henk en Ingrid hebben het gedaan. De Britten met hun eilandmentaliteit zijn een uitzondering. Referenda deugen niet.

Dat zal allemaal wel. Maar nu lijkt de Europese burger toch één 'vergissing' teveel hebben begaan. De ervaring met referenda in de EU toont een duidelijke negatieve curve: in 1973 bijvoorbeeld wilde 67 procent van de Britten nog in de EEG blijven (alleen de Noorse bevolking besloot destijds erbuiten te blijven). De latere eurosceptische Denen stemden in 1986 nog met 56 procent voor de Europese akte en rond het Verdrag van Maastricht vierde 'Europa' grootse overwinningen in Italië (88 procent) en Noord-Ierland (67 procent).

Het eerste teken aan de wand kwam uit Frankrijk, waar 'Maastricht' maar met een krappe meerderheid van 51 procent door kiezers werd aanvaard. Dertien jaar later werd de Europese Grondwet omarmd door Luxemburg en Spanje, maar weggevaagd in Frankrijk (54,9 procent) en Nederland (61 procent!).

De Denen bleven de EU in referenda steunen, maar vanwege hun opt-outs. De Zweden ook - zij stemden met 56 procent nog in 2003 deelname aan het 'succesverhaal' euro af. Hetzelfde gold zelfs voor de Ieren, die het in 2008 waagden het verdrag van Lissabon weg te stemmen. (Ze kregen een 'tweede kans' om het juiste hokje aan te kruisen.)

Bestond Europa uit louter Deense politici, die naar hun burgers luisterden en alleen met die onderdelen van 'Europa' meedoen waarvoor democratische steun bestaat, dan waren de problemen nu minder groot.

Maar waren die negatieve referenda tekenen aan de wand voor de grote Europese politici in 'Brussel' en de hoofdsteden? Nee hoor. Elke Nederlander herinnert zich het bedrog na het referendum van 2005, waarin de afgewezen voorstellen alsnog werden doorgevoerd, onder iets andere vlag.

Waarom moest dat bedrog geslikt worden? Omdat het goed was voor 'Europa'.

De fiets en de muur

Het verhaal van de fiets die altijd vooruit moet omdat hij anders omvalt (hoe onzinnig ook, zoals elke Nederlander weet, die weleens met de fiets voor een rood stoplicht staat) behield voorrang. Met als resultaat: nog meer bundeling van bevoegdheden in Brussel. Een crisis die aantoonde dat de euro onverenigbare economieën en monetaire zienswijzen probeert te verenigen - ten koste van eigenlijk alle deelnemers - leidde niet tot een stap terug, maar tot vergezichten over een 'transferunie' waarbij Europese burgers hun solidariteit - ook financieel - Europees gaan betonen.

Waarom? Omdat dat goed is voor 'Europa'.

Daar kun je ook fiets-beeldspraak op loslaten: een fiets waarvan de bestuurder niet weet wanneer hij moet remmen, of zelfs stoppen, knalt uiteindelijk een keer keihard tegen de muur. En dan heb je geen fiets meer.

Het democratisch tekort was de achilleshiel van een ongekend historisch waagstuk, als reactie op een ongekende slachtpartij, de in Europa ontketende Tweede Wereldoorlog. Hulde aan de oervaders van het naoorlogse 'verenigd Europa' die, zoals dat toen ging, onderling besloten dat de vrede en economische stabiliteit van Europa het alleen konden winnen van het wantrouwen en de erfvijandschap door de industrieën van landen aan elkaar vast te klinken en door het delen van soevereiniteit.

Het was zo'n ongelooflijk succes dat zelfs de Britten hun postimperiale kater te boven kwamen, over de schaduw van hun eigen geschiedenis sprongen en zich erbij voegden.

Het einde van de Koude Oorlog gaf aanleiding tot hoop en vrees: de vrees voor dominantie van een verenigd Duitsland, de hoop dat nu de historische zegetocht van de Europese integratie zou uitmonden in de vereniging van het hele continent.

Het leverde ons de euro op, een munt die zeer ongelijksoortige economieën in één monetair keurslijf dwong, en de 'big bang' - de grote oostwaartse uitbreiding van het inmiddels tot Unie omgedoopte Europese samenwerkingsverband.

Hear, hear. Historische gerechtigheid.

Vette jaren, magere jaren

Maar de burgers van Europa waren minder enthousiast over alle veranderingen. Dat komt ook doordat de jaren negentig, het decennium van het optimisme - waarin de Sovjet-Unie instortte en de EU werd geboren, evenals de euro en de uitbreidingsplannen en waarin geloof in vrolijke mondialisering en eeuwige economische groei heerste - werd gevolgd door het tijdperk van negativisme en pessimisme: ingeluid door 9/11, maar beklonken door de financieel-economische crisis die door meer burgers dan politici is ervaren als hedendaagse Grote Depressie.

Elf jaar geleden schreef ik, in een pleidooi voor afschaffing van het Europees Parlement, een aanklacht tegen Europa als 'opium van de leiders'. Mijn conclusie was: 'Wil Europa verder, dan zal het dus een 'democratisch handelingsvermogen' moeten organiseren. Dat betekent onvermijdelijk kleinere stappen, concentratie op kerntaken en nauwere consultatie van de kiezer.'

Nu zou ik het woordje 'verder' schrappen en er 'overleven' voor in de plaats zetten.

Niettemin zal de neiging groot zijn het tegenovergestelde te doen: pogingen ondernemen om 'Europa' nog verder uit de handen van 'onverstandige' burgers te houden. Als excuus daarvoor zullen de grote problemen van deze tijd dienen: van ongecontroleerde migratie en vluchtelingenstromen tot onvoorspelbare grootmachten aan de rand van Europa, terrorisme en de Dertigjarige Oorlog in het Midden-Oosten.

De democratische traditie

Maar wat de meeste Europese landen onderscheidt van de meeste van zijn buren is precies dit: de democratische traditie. Europa zal, hoe moeilijk dat ook is, terug moeten naar deze bron om zijn kracht en zelfvertrouwen te hervinden.

Het zou goed kunnen dat de Britse kiezer zich heeft laten leiden door afkeer van de gevolgen van de mondialisering, het verlies aan identiteit, het verlies van controle over zelfs de directe omgeving - een ervaring die burgers overal in Europa (en elders) in mindere of meerdere mate ervaren. En die doet snakken naar een terugkeer naar de geborgenheid van de natiestaat.

Voorstanders van Europese integratie zeggen, volgens mij terecht, dat dit een fictie is: ook de natiestaat kan de boze buitenwereld niet buiten houden - of voorkomen dat de banen weglekken.

Maar de bewijsplicht is in Europa omgedraaid. Britse politici pleitten de afgelopen kwart eeuw als geen ander voor oostwaartse uitbreiding van de EU. Nu stappen Britse burgers eruit, mede uit angst voor die Oost-Europese concurrentie. In Nederland speelt iets vergelijkbaars: de Europese Unie is voor nogal wat burgers niet langer een vertrouwde thuisbasis in een roerige wereld, maar het is synoniem geworden aan die roerige buitenwereld zelf.

Geert Wilders droomt nu openlijk van een Nexit. En hij is allang niet de enige meer. Er is maar een manier om deze anti-Europeanen de pas af te snijden - en dat is door 'Europa' opnieuw uit te vinden, als democratisch samenwerkingsverband. Het is nog net niet te laat om dat te realiseren binnen een fundamenteel herziene EU - dat kleiner, flexibeler en responsiever zal zijn, en waarin de burgers opnieuw kunnen bepalen aan welke vormen van Europese samenwerking zij zich willen binden.

Maar er lopen te veel bijziende satrapen rond in Brussel en de hoofdsteden om daarvan zeker te zijn. Er is dan ook gerede kans dat er nog meer 'creatieve destructie' nodig zal zijn voordat dit inzicht voldoende indaalt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.