ColumnMax Pam

Dat Theo Hiddema de liefde voor het Joodse volk meekreeg van NSB-ouders, kan ik moeilijk geloven

De implosie van Forum voor Democratie is een klassiek voorbeeld geweest van dikdoenerij, verkeerde inschattingen en zelfdestructie. Toen de hoofdrolspelers met gescheurde kleren en een blauw oog in de stront lagen, kregen ze spijt en probeerde ieder op zijn/haar manier op te staan en opnieuw te beginnen.

Afgelopen zaterdag was het de beurt aan Theo Hiddema, strafpleiter en weggelopen Tweede Kamerlid, om zijn comeback aan te kondigen. Hij wordt ergens onderaan lijstduwer bij de komende parlementsverkiezingen en kan op die manier alsnog met voorkeurstemmen gekozen worden. Lukt dat niet, nog geen erg, want dan was hij slechts lijstduwer. Over zijn herwonnen ambities liet Hiddema zich in deze krant uitvoerig interviewen door Ariejan Korteweg.

In het interview reageert Hiddema op de beschuldigingen van antisemitisme, die Forum toegeworpen kreeg. Hij vertelt dan dat zijn ouders ‘bang waren dat Israël bij de oorlogen van 1956 en 1967 van de kaart zou worden geveegd’, waaraan hij toevoegt: ‘Liefde voor het Joodse volk is mij met de paplepel ingegoten.’ Vooral aan die laatste zin bleef mijn oog haken, want dat moet dan wel een zeer eigenaardige paplepel zijn geweest.

Het gezin waar Hiddema in 1944 werd geboren, had namelijk sterke nationaal-socialistische ideeën. Vader was lid van de NSB en moeder steunde haar man daarin bij het beroeren van de paplepel. Ook Hiddema’s oudste broer meldde zich aan bij de NSB. Na de oorlog zijn vader en broer enige tijd geïnterneerd geweest, zijn vader zelfs een half jaar. Ik verzin dit niet, Hiddema vertelt er zelf over in zijn door Stan de Jong geschreven (auto)biografie.

Niemand is verantwoordelijk voor de daden van zijn ouders, maar dat NSB-ouders ineens aan hun kinderen een oprechte liefde voor het Joodse volk hebben meegegeven, kan ik moeilijk geloven. Het is waar dat de NSB aanvankelijk niet antisemitisch was en dat Joden volgens Mussert bij zedelijk gedrag gewoon lid konden worden, maar aan het eind van de jaren dertig werd het zelfs voor de hardnekkigste blindganger duidelijk waar de NSB voor stond en dat Joden daar niet meer veilig waren.

Rare kostgangers had je en heb je natuurlijk altijd. Zo was daar het geval van Albert de Joode, een halve journalist, die ondanks zijn naam de NSB nog niet fascistisch genoeg vond. Hij werd lid van de Nationaal-Socialistische Nederlandsche Arbeiderspartij (NSNAP) en moest vervolgens met lede ogen aanzien dat de Duitse bezetters zijn splinterpartijtje dwongen in de NSB op te gaan. Na de oorlog kreeg hij een tamelijk lichte straf, ongetwijfeld uit meelij met zijn naam. De alles-is-grijs-historicus Chris van der Heijden heeft zelfs een heel boekje geschreven over die paar Joodse NSB’ers, die in een villa bij Doetinchem gevrijwaard probeerden te blijven voor deportatie. Een fascinerende vertelling, niet alleen vanwege de absurde inhoud, maar ook vanwege de fascinatie van de schrijver die zelf ook weer een zoon is van NSB’ers. Zijn vader zat zelfs bij de SS.

Zo blijft de Tweede Wereldoorlog doorsijpelen in alles wat we doen. Nog niet zo heel lang geleden stelden de erfgenamen van de Amsterdamse schoenenzaak Zwartjes in Het Parool voor het verleden te begraven, omdat zij nog steeds last hebben van het predicaat ‘foute winkel’. Afwijzende reacties stroomden binnen. Het gaat zelfs tot aan de hoogste top, wanneer de koning op de Dam in zijn 4-meitoespraak zijn eigen overgrootmoeder aanvalt. Wilhelmina en de Joden is geen trots hoofdstuk. Joodse vluchtelingen uit Duitsland moesten maar niet te dicht bij Het Loo komen. Naar kamp Westerbork mocht wel, maar de bouw daarvan moesten zij zelf betalen.

In het interview probeert Hiddema de beschuldigingen van antisemitisme die FvD ten deel zijn gevallen te pareren door te wijzen op zijn onwankelbare liefde voor het Joodse volk. Tot zijn 11de jaar woonde Hiddema thuis, zijn familie werd ongetwijfeld als collaborateurs nagewezen. Tragisch genoeg – al was het misschien niet zo tragisch als de overlevers die terugkwamen uit de kampen – was dat een zware last die gelukkig niet kon verhinderen dat zijn NSB-ouders hem paplepelend de liefde bijbrachten voor het Joodse volk.

Op mij komt dit over als niets anders dan misplaatst opscheppen. Als op die manier de liefde voor de Joden wordt beleden, wordt het bijna weer net zo zielig als het antisemitisme zelf. Trouwens, of Hiddema een antisemiet is, maakt hij wel uit, zegt hij, dat is heus niet aan anderen. Mij deed dat onmiddellijk denken aan die beruchte uitspraak van de Weense burgemeester Karl Lueger (1844-1910): ‘Wer ein Jude ist, bestimme ich!’. En wat geldt voor een Jood, geldt natuurlijk ook voor een antisemiet. Lueger was jurist, een belezen en keurige man. In Wenen wordt hij nog steeds vereerd met een eigen mausoleum van marmer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden