Column Sylvia Witteman

Dat sinterklaasliedje over die pepernoot klopt van geen kanten

Maandagochtend. Tegen het zieltogende boompje voor mijn huis trof ik mijn fiets aan met een lekke band. Nu kun je in zo’n geval zelf aan de slag gaan met solutie, bandenlichters en een teiltje zeepsop, maar daar ben ik helaas te stom voor. Dus maakte ik de gang naar Canossa, de fietsenmaker, met mijn fiets aan de hand.

In mijn hoofd begon een sinterklaasliedje te zeuren op de wijs van Zie ginds komt de stoomboot: ‘Zwarte Piet ging uit fietsen, toen klapte zijn band/ Toen moest hij gaan lopen met de fiets aan de hand/ Toen kwam hij bij een dorpje en zei tegen de smid:/  ‘Ik geloof dat er in mijn achterband een pepernootje zit.’

Het is een relatief nieuw sinterklaasliedje. Ik was, denk ik, een jaar of 12 toen ik het voor het eerst hoorde. Het wekte indertijd al mijn woeste ergernis. Ten eerste die fietsende Piet: dat doen Pieten gewoon niet. Ze buitelen in groepsverband mee naast Sinterklaas, strooien met pepernoten en houden om beurten de teugels van het paard vast. Dat kan allemaal niet op een fiets. (Het paard heet trouwens ook beslist geen Amerigo, dat is ook een betreurenswaardig verzinsel uit de jaren negentig. Hij heet gewoon ‘Het paard van Sinterklaas’.)

Ten tweede: je gaat met een lekke band niet naar ‘de smid’, maar naar een fietsenmaker. Toen dit liedje werd geschreven, de hemel weet door welke schoft, was er trouwens in heel Nederland nergens meer een smid te bekennen. 

Ten derde: een pepernoot zou een lekke band veroorzaken? En daarbij zelf ongedeerd blijven? Kom op, zeg.

‘Je kunt ’m over een half uur komen halen’, zei de fietsenmaker even later. Een half uur. Te kort om naar huis te gaan, te lang om die fietsenmaker op zijn vingers te blijven kijken, maar precies genoeg om een beetje door de buurt rond te drentelen.

Algauw liep ik tegen een banketbakkerij op die een zwartepietentaart in de etalage had liggen. Het was een heel foute Piet: pikzwart met dikke rode lippen, rollende puilogen en kroeshaar van hagelslag, midden in dat weldenkende roetveegbolwerk Amsterdam-Zuid. Zou daar geen narigheid van komen? Ik stelde me op voor de etalage met die foute taart en wachtte af.

Vijf minuten. Tien minuten. Er gebeurde niets. Ik kreeg het heel koud, dat wel. De buurtzwerver kwam langsgeschuifeld, met zijn borstelige gekkenhuishaar en een blik bier van ‘Gladiator’ in zijn hand. Of ik een eurootje voor hem had. Nee, alleen een bankpasje, en bij zwervers kun je voor zover ik weet nog niet pinnen. ‘Nee, sorry’, zei ik dus.

‘Nou, rot op dan’, antwoordde hij.

Dat heb ik toen maar gedaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.