Column Nico Dijkshoorn

Dat hele nieuwe huurhuis was gevuld met mensen die snakten naar een echte mensenwoning

Daar stonden we, 32 hunkerende mensen, zwijgend in een slaapkamer.

Gistermiddag ging ik met mijn dochter en haar vriend – hier in Leiden  naar een huurwoning kijken. Naast een bakkertje. Ik had daar meteen allemaal fantasieën bij. Iedere ochtend wakker worden in een huis dat geurt naar vers brood. Even snel een makkelijke broek aandoen en dan, op je blote voeten, 6 meter verder een zak verse broodjes halen. ‘Ik haal ze net uit de oven, mevrouw Dijkshoorn!’ In mijn hoofd woonde mijn dochter daar al en was ze heel gelukkig.

Ik kon dan ’s avonds langsfietsen en net doen alsof ik toch in de buurt was. Misschien kwam ik haar zaterdag tegen op de markt en gingen we even koffiedrinken. Ik kon haar dan van alles laten zien. ‘Kijk, dat weet niemand, maar hier kun je de goedkoopste leren petten kopen.’ Dat soort dingen.

Om twee uur ’s middags stond ik samen met mijn dochter en haar vriend midden in een vreemde woonkamer. Samen met 32 andere mensen die graag wilden wonen in een huis waar je versgebakken brood kon ruiken. Opeens werd ik erg verdrietig. Dat hele nieuwe huurhuis, met zijn raampjes en trappetjes, was gevuld met mensen die snakten naar een echte mensenwoning.

Het was raar. Ze wisten allemaal: slechts een van ons gaat hier wonen, maar toch deden ze alsof ze het elkaar gunden. Daar stonden we, 32 hunkerende mensen, zwijgend in een slaapkamer, dromend van een bed en leuke gordijnen die goed bij de vloerbedekking pasten.

Ik zou nu graag iets hebben gezegd als: ‘Mooi huis, daar hoef je nog heel weinig aan te doen’, maar ik durfde het niet. Er werd geen woord gesproken. Niemand wilde laten merken dat er een diep verlangen brandde en dat tegelijk het aanzwellende verdriet door het lichaam begon te golven. Niemand.

Op twee mensen na. Zij hadden een meetlint bij zich. Daar stonden we, dit keer weer met zijn allen in de woonkamer, en we zagen hoe die twee lieve mensen controleerden of hun bank er wel in zou passen. We hoorden hoe groot de fotolijsten van Ikea waren – 1,74 meter bij 89 cm. Dat riep de jongen en het meisje schreef het in een schriftje. De jongen en het meisje voelden in de hoeken van het kozijn.

En ik wist meteen waarnaar ik keek. Ze deden wat de vader van het meisje thuis had gezegd. ‘Voel in de hoeken van de kozijnen. Als er net verf op zit, dan weet je dat ze iets willen verbergen’. Binnen een seconde verlangde ik intens naar mijn vader. Niemand liep mooier door een leeg huis. Hij had geen meetlint, hij schatte. Mijn vader heeft nooit een bankstel bij de vloerbedekking gekocht. Het was andersom. Het huis moest zich naar hem voegen.

Ik voelde nog iets waarvan ik erg schrok. Ik was niet zo’n vader. Ik keek naar mijn dochter. Ze stond in de tuin en keek naar boven. Nu zou ik naast haar moeten gaan staan en dingen zeggen als: ‘Iets uit het lood, dat raam. Let daarop.’ Maar ik zag dat niet. Ik wist alles van Cees Buddingh’. Nee, daar had ze wat aan. Arm kind.

Ik probeerde het wel even. Ik liet mijn hand langs een deurpost glijden. Nog een keer. Ik tikte op het hout. Mijn dochter zag dat. We hebben het er verder niet meer over gehad. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.