InterviewArts Zonder Grens

Covid-19 in Centraal-Afrika? ‘We hebben überhaupt geen beademingsapparatuur’

Beeld AFP

Een mazelenepidemie zet de zorg in de Centraal Afrikaanse Republiek al onder hoogspanning. Hoe kan daar nog een coronavirus bij, zonder beademingsapparatuur? ‘Je ziet hoe jullie nu al in Europa worstelen met capaciteitsproblemen. Kun je je voorstellen hoe dat hier zal zijn?’

Wat als de corona-epidemie een land als de Centraal Afrikaanse Republiek (CAR) bereikt? Het op een na armste land ter wereld waar al acht jaar een vergeten burgeroorlog woedt, waar tientallen rebellenmilities in grote delen van het land de dienst uitmaken en terreur zaaien. Een land waar de overheid vrijwel geen gezag heeft en waar überhaupt amper sprake is van een functionerend gezondheidssysteem. ‘Hoe zorg je dán dat mensen hun handen gaan wassen? Als de informatie over coronapreventie burgers al bereikt, dan leven ze in dorpen waar geen water is. En hoe gaan wij straks mensen beademen als we geen beademingsapparatuur hebben?’

Het zijn vragen als deze waarop Maaike Hersevoort (41), head of mission bij Artsen zonder Grenzen (AzG) in het straatarme centraal-Afrikaanse land, nu het antwoord moet zien te vinden. Ze is zojuist met een propellervliegtuigje aangekomen vanuit de hoofdstad Bangui in het noordelijk gelegen Bossangoa – normaal een bumpy autorit van acht uur. Hier bestuurt AzG samen met de lokale overheid een klein ziekenhuisje en een aantal zorgposten. Het is een van de dertien medische projecten die AzG runt sinds de CAR begin deze eeuw afgleed in een vrijwel permanente staat van burgeroorlog.

Op 14 maart meldde de Centraal Afrikaanse Republiek zijn eerste besmettingsgeval. Een 74-jarige Italiaanse inwoner bleek het coronavirus mee te hebben genomen uit Milaan. Sindsdien rinkelen alle alarmbellen in Bangui en daarbuiten.

U heeft vanmiddag het ziekenhuis in Bossangoa bezocht. Wat trof u aan?

‘Het is niet zoals je in Nederland een ziekenhuis binnenloopt. Er staan wel stenen gebouwtjes, maar er zijn veel open ruimten waar het vol zit met familieleden die zijn meegereisd om de zieken te verzorgen. Dat is hier in Afrika gebruikelijk omdat de medische staf er geen tijd voor heeft. We kampen momenteel met een mazelenepidemie, dus er zijn nu honderd kinderen opgenomen. Dat is al het dubbele van onze normale capaciteit. We hebben twee tenten buiten het ziekenhuis moeten inrichten om extra bedden te creëren. Daarbuiten slaapt de familie en doodt de tijd met elkaar. Het is een druk en kleurrijk gebeuren, maar dat moeten we nu wel zien te beperken vanwege het besmettingsgevaar.

‘We hebben vanmiddag samen met de medische staf en vertegenwoordigers van het ministerie van Volksgezondheid door de kliniek gelopen om te kijken welke voorbereidingen we moeten treffen. Het belangrijkste is dat we een deel van het ziekenhuis kunnen afschermen voor covid-19-patiënten. Dat is gelukt. We hebben nu een plek gevonden die mooi afgelegen is, die we daarvoor kunnen inrichten mocht het zover komen.’

Wat baart u nu de meeste zorgen?

‘Onze voornaamste zorg in dit soort fragiele landen is dat de basale medische zorg op peil blijft. We hebben nu al de grootste moeite om de nodige zorg te bieden aan onze normale patiënten die hier komen met luchtweginfecties, malaria of andere infectieziekten. Je ziet hoe jullie nu al in Europa worstelen met capaciteitsproblemen. Kun je je voorstellen hoe dat hier zal zijn? We hebben hier überhaupt geen beademingsapparatuur, niet eens voor onze gewone patiënten met een longontsteking. Dus dan kun je alleen werken met extra zuurstof.

‘We bekijken nu van alle aspecten in ons normale zorgproces hoe we die kunnen aanpassen op covid-19. Het begint met preventie, maar we moeten ook onze triage verbeteren zodat we coronapatiënten tijdig kunnen afscheiden en isoleren. En we kijken hoe we onze medische toevoer op orde kunnen houden en de nodige voorzorgsmaatregelen voor onze staf kunnen nemen. Er is hier een tekort aan alles; beschermende kleding, mondkapjes, desinfecterende middelen. Toch moeten we er alles aan doen om te voorkomen dat ons medisch personeel besmet raakt, want dan kunnen we ook onze gewone patiënten niet meer behandelen. Als wij geen zorg meer kunnen leveren, gaan hier nog veel meer mensen dood aan andere veel dodelijker ziekten dan covid-19, zoals mazelen, diarree of malaria.’

En gaat dat allemaal lukken?

‘We zijn nog volop bezig. Het raakt ons heel hard dat landen hun grenzen sluiten en het vliegverkeer aan banden leggen. De luchthaven van Nairobi is een belangrijke hub voor de toevoer van medische voorraden en personeel, maar die is nu dicht. Dat maakt het nu heel moeilijk om aan hulpmiddelen en medicijnen te komen. Luchtvaartmaatschappijen moeten echt een uitzondering maken voor humanitaire noodhulp en personeel. En dat geldt niet alleen voor covid-19. Mensen zijn hier ook voor water, voedsel en de behandeling van andere ziekten afhankelijk van noodhulporganisaties zoals de onze. Daar maak ik me heel veel zorgen over.’

Hersevoort weet na negen jaar werken in het veld voor Artsen zonder Grenzen in conflictlanden als de CAR, Irak, de Democratische Republiek Congo (DRC) en Syrië hoe klein het verschil is tussen leven en dood. Mensen sterven er nog steeds aan ziekten waarvoor in het Westen al lang medicijnen, behandelingen en vaccinaties beschikbaar zijn. Vaak omdat burgers eenvoudigweg geen toegang tot medische zorg hebben of omdat ziekenhuizen zijn vernield en zorgverleners gevlucht. Moeder- en kindsterfte in de CAR is een van de hoogste ter wereld. De gemiddelde levensverwachting is 52 jaar. Burgers zijn voor basale medische zorg vrijwel volledig aangewezen op de buitenlandse hulporganisaties.

Maaike Hersevoort maakt zich veel zorgen over bevoorrading nu de luchthaven van Nairobi is gesloten.

U heeft wis- en natuurkunde gestudeerd. Hoe bent u in dit werk gerold?

‘Het is niet per se logisch dat ik bij Artsen zonder Grenzen werk met mijn profiel. Ik ben geen arts en geen verpleegkundige. Maar in ons werk draait veel om logistieke processen. Er moet water zijn, elektriciteit en medische spullen en medicijnen moeten worden aangevoerd. Er komt ongelooflijk veel bij kijken en je werkt in heel ingewikkelde omstandigheden. Maar ik vond het vanaf de eerste dag mooi werk.

‘Ik werkte een tijd als onderzoeker bij het Centraal Bureau voor de Statistiek, maar ik wilde graag in het buitenland werken en meer direct resultaat zien van je werk. Hier zie je voortdurend welke impact je hebt. Al die vrouwen die hier veilig hebben kunnen bevallen. Als je zieke kinderen kunt behandelen die anders gewoon doodgaan aan behandelbare ziekten, geeft dat direct bevrediging. En het is geweldig om in zo’n interculturele omgeving te werken. Slechts 10 procent van onze staf is buitenlands en dat dan ook nog vanuit de hele wereld. Mijn werk is super uitdagend omdat je steeds weer andere prioriteiten moet stellen en keuzes moet maken.’

Nu is het zeker zaak om prioriteiten te stellen. Is de overheid voldoende doordrongen van de urgentie?

‘Ja, dat geloof ik zeker. Er is werk van gemaakt om patiënten op te sporen om verdere besmettingen te voorkomen en er is een voorlichtingscampagne gestart, maar then again... Je kunt hier niet verwachten dat ze ineens de zorg op orde hebben en tien behandelcentra voor covid-19 hebben. We werken goed met de overheid samen, maar we zorgen ook dat we onze onafhankelijkheid bewaren. Dat is nodig om als buitenlandse hulporganisaties de veiligheid van je personeel te kunnen garanderen. 

‘Het is hier nog heel onveilig. Er wordt op veel plekken gevochten. Het lukt ons om in dit soort landen te werken omdat we contact onderhouden met de strijdende partijen en ze uitleggen waarom we hier zijn en wat we hier doen voor de bevolking, ongeacht bij welke partij ze horen. Met covid-19 zullen we ook een dergelijk beroep op ze moeten doen. Vanwege de onveiligheid durven burgers vaak niet naar gezondheidscentra te gaan en dat is desastreus in het geval van een epidemie.’

Bossangoa, een stadje van 38 duizend inwoners in de tropische savanne in het noordwesten van de CAR, was een van de epicentra in de geweldsexplosie van 2013 die de nog immer slepende burgeroorlog in gang zette. Die oorlog werd veroorzaakt door de al jaren smeulende onvrede onder de hoofdzakelijk islamitische minderheidsbevolking in het noordoosten van het land over de verdeling van macht en rijkdommen in de CAR. Het land is rijk aan diamanten, goud, olie, kobalt en uranium, maar ruim 80 procent van de bevolking leeft onder de armoedegrens.

Moeders en kinderen wachten in het ziekenhuis van Bossangoa op de melk die daar drie keer per dag wordt uitgedeeld.Beeld MSF

In 2012 leidde deze woede tot een machtsovername door de rebellenalliantie Séléka, bestaande uit islamitische herders uit het noorden en andere groeperingen die zich achtergesteld voelden door de regering in Bangui. Nadat Séléka-rebellenleider Michel Djotodia zichzelf tot president had benoemd, volgden wrede represailles door de christelijke anti-balakagroepen (een balaka is een machete) tegen de moslimbevolking. Aan deze genocide – de grootste sinds Rwanda – die duizenden levens heeft gekost en meer dan een half miljoen burgers op de vlucht deed slaan, kwam in 2015 een einde door internationaal ingrijpen, maar de vrede werd niet hersteld. De twee rivaliserende partijen Séléka en anti-balaka vielen uiteen en nu strijden zeker zeventien milities om de macht.

De VN-vredesmissie Minusca kan nauwelijks iets uitrichten en is zelf regelmatig doelwit van geweld. De internationale gemeenschap heeft haar interesse verloren in deze inmiddels onbegrijpelijke en uitzichtloze oorlog. Met acute brandhaarden in Syrië en Jemen komt er nauwelijks nog donorgeld binnen, terwijl naar schatting 65 procent van de bevolking van 4,6 miljoen mensen afhankelijk is van noodhulp.

In die geweldsexplosie van 2013 fungeerde het ziekenhuis in Bossangoa, waar Artsen zonder Grenzen de scepter zwaait, als toevluchtsoord. Tienduizenden burgers zochten een veilig heenkomen in de kerk en het hospitaal om te ontkomen aan bloedige vergeldingsacties van de strijdende partijen. Nu is het er relatief kalm.

Beseft de bevolking de ernst van een mogelijke corona-epidemie?

‘Hier in Bossangoa zijn mensen er nog niet heel erg mee bezig. Mensen hebben andere zorgen aan hun hoofd of met ernstiger ziekten te maken. In de hoofdstad staat covid-19 meer op de radar omdat ze daar al te maken hebben gehad met een besmetting. In afgelegen dorpen op het platteland zonder internet is het moeilijker mensen te bereiken en te waarschuwen.’

Uw werk bestaat nu vooral uit preventie?

‘Ja, zorgen dat mensen zichzelf beschermen voordat covid-19 hen bereikt. We zetten de veldwerkers in die normaliter naar dorpen en markten gaan om burgers in levende lijve te informeren over ziekten en preventie. We zijn nauw in overleg met de verschillende overheidsinstanties om burgers te informeren over de epidemie en te zorgen dat burgers de nodige hygiënemaatregelen kunnen treffen. Maar in veel dorpen is niet eens water. Daar moeten mensen kilometers lopen naar een rivier. We werken nu bijvoorbeeld samen met lokale autoriteiten en andere organisaties om meer waterpunten te creëren waar mensen hun handen kunnen wassen. Aan het begin van het dorp, op de markt. Dat is helemaal niet zo ingewikkeld. Gewoon een emmer water met een kraantje eronder en een stuk zeep. Voilà. Zo doen we dat ook bij onze gezondheidsposten.’

En wat als de eerste gevallen komen? Zijn er wel voldoende testen?

‘Er zijn testen beschikbaar gesteld door de Wereldgezondheidsorganisatie. Maar er is maar één laboratorium in de hoofdstad dat deze kan verwerken. Ga je mensen dan vervoeren met het risico dat ze onderweg anderen besmetten, of zorg je dat je dat testmateriaal in de afgelegen dorpen krijgt? Dat zijn we nu allemaal nog aan het uitzoeken samen met de autoriteiten.’

Wat staat de CAR te wachten als het coronavirus uitbreekt?

‘Ik ben vooral bezorgd over de secundaire effecten van een corona-epidemie. Lukt het om onze reguliere patiënten met ondervoeding, hiv, malaria en luchtweginfecties te blijven verzorgen op een veilige manier en tegelijkertijd onze medische teams voor te bereiden op covid-19? En dan de economische schade. De armoede is hier zo groot. Als je hier markten en vervoer moet stilleggen, hebben mensen niets meer. Ze kunnen nu al nauwelijks overleven. Wat als ze straks geen voedsel meer kunnen verbouwen of verkopen? Hoe krabbelt dit land dan ooit op?’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden