ColumnStephan Sanders

Cindy Kerseborn deed aan noodzakelijk, achterstallig onderhoud in Nederland

En weer was ik het meest gechoqueerd, niet door het algemene nieuws, maar door mìjn nieuws. Het soort nieuws, dat zich meteen in je onderbuik nestelt, en daar blijft woelen, zonder dat het overigens leidt tot meer begrip.

Ik was de vorige week op het Spaanse eiland Formentera, en het is daar vredig. Vandaar dat het contrast en de vervreemding maximaal waren. Cindy Kerseborn, geboren als Marijke A.J. Kerseborn in Paramaribo, onderzoeker en documentairemaakster stierf op 17 september, 62 jaar oud. Er was niets ‘voltooids’ aan dit leven, zij had plannen te over.

Ik kende Cindy Kerseborn niet daverend goed, wel daverend lang. Ik wist sinds heel kort van haar ziekte, maar kan me haar alleen voor de geest halen als: springlevend, stellig en toch empathisch, maar nooit vergoelijkend.

Ik zat op dat Spaanse eiland, en dacht terug aan zo’n dertig jaar geleden toen ik haar voor het eerst ontmoette. Een zwarte Surinaamse vrouw, die overal opdook waar ik een publiek praatje hield. Ze werkte toen bij Migranten tv, later voor de NOS, maar wat ze voor mij betekende: ze was mijn eerste zwarte publiek. Ik besefte in die tijd amper dat ik gekleurd was, maar zij benaderde me altijd zo. Dat betekende niet: onkritisch, maar alles wat ze aan te merken had, gebeurde broederlijk, zusterlijk. Toen al heel snel bleek dat ik, anders dan zij, geen Surinamer was, en zelfs niet eens Caribisch trok ze zich niet schielijk terug, maar bleef even geïnteresseerd. Geen talent voor lokaal nationalisme.

Kerseborn zelf werd bekend door haar documentaire drieluik over de Caribische schrijvers Edgar Cairo, Frank Martinus Arion en haar film over de vergeten en verdwenen schijfster Astrid Roemer, die ze niet alleen opspoorde, maar ook glansrijk in het licht plaatste. In 2016 ontving Roemer de P.C. Hooft-prijs, en de inspanningen van Kerseborn vallen niet te negeren.

Wat betekent dat: ‘Mijn eerste zwarte publiek?’ Ik ben, anders dan Kerseborn niet in een zwarte omgeving opgegroeid, en wist lange tijd niet dat je als gekleurde of zwarte ‘een krediet voor je ras’ kon zijn. ‘A credit to your race’, zeggen Afro-Amerikanen. Ik verzette me ook tegen dat idee, want hoezo moest gekleurd en zwart ook nog eens het ambassadeurschap van een heel ‘ras’ op zich nemen? Dat leidde alleen maar tot venijnige, onderlinge controle en scherpslijperij.

Cindy Kerseborn heeft me daar door haar houding anders over doen denken. Wanneer in Nederland niemand het opneemt voor Surinaamse kunstenaars, Antilliaanse schrijvers, worden ze binnen de kortste keren vergeten en afgeschreven. Ja, wij zijn allen mensen, maar de mensen van overzee, geboren als Nederlanders, hebben zich toch minder in het nationale bewustzijn weten te manoeuvreren. Daar zag Kerseborn een opvoedkundige taak: ze wees Nederland op zijn verleden als het Koninkrijk der Nederlanden, dat geografisch een stuk groter was dan nu.

Wat mij dertig jaar geleden verontrustte was dat zwarte mensen geacht werden een speciale band met zwarte kunst of -kunstenaars te hebben. Blanken hoefden dat hier toch ook niet? Dat was mooi theoretisch gedacht, terwijl ik toen ook al wist dat vrouwen en joden en homo’s zich een beetje om elkaar moeten bekommeren, want anders komt er niets van terecht. De ‘anderen’ doen het maar heel soms voor je.

Cindy Kerseborn vervulde haar zelfopgelegde taak streng, maar niet hardvochtig. Ze deed niet alsof er een ‘zwart volk’ bestond met daar tegenover een ‘blank’ of ‘wit volk’ dat niets van elkaar begreep. Ze deed aan noodzakelijk, achterstallig onderhoud in Nederland.

Het ideologische zwart-wit denken, met hele precieze scheidslijnen voor wie waar bij hoorde, was haar te enghartig, te raciaal ook. En bovendien deed ze ook niet mee aan het sprookje van het ene, gelukkige Surinaamse volk, of welk volk dan ook. Ze kon kritiek hebben op de Caribische gemeenschap, ze keek met open ogen en verdoezelde de broedertwisten niet.

Het was mooi toen ik op mijn beurt haar ‘gekleurde publiek’ kon worden. Haar film over de Nederlands- Surinaamse schrijver Edgar Cairo uit 2010 bewonderde ik vol-uit. Cairo de Para-man uit Suriname, met zijn homoseksualiteit, en zijn idiosyncratische taalgebruik, waar zowel Surinamers als Nederlanders zich aan stoorden.

Ik heb voor die film hard geklapt – iets harder dan ik normaal zou doen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden