Column Chris Oostdam

Chris Oostdam over het afscheid als rechter: ‘Ik weet niet eens meer wat mijn laatste zitting was’

Rechters hebben vaak een feestelijke afscheidszitting. Ik weet niet eens meer wat mijn laatste zaak was.

Collega’s die hun afscheid zien naderen, bijvoorbeeld vanwege pensionering, leven daar normaal gesproken naartoe. Velen van hen blijven nog een aantal jaren werken als rechter-plaatsvervanger, zeg maar een soort oproeprechter, tot ze er op 70-jarige leeftijd echt mee moeten ophouden. Zo is dat voor ons rechters, als derde staatsmacht, geregeld. We worden voor het leven benoemd, kunnen in beginsel niet worden ontslagen, tenzij door de Hoge Raad bij ernstig wangedrag, en nemen op uiterlijk ons 70ste zelf ontslag. 

Tegenover deze, zeker in crisistijd, riante arbeidszekerheid staat de plicht om het braafste jongetje of meisje van de klas te zijn. Rechters worden geacht hondenbelasting te betalen, niet te rijden met een glaasje te veel op, hun huis niet te laten opknappen door een zwartwerker en bij onenigheid met de buren niet op de vuist te gaan. Ik houd me daar redelijk aan en, voor zover ik weet, de meeste van mijn collega’s ook.

Met deze regeling wordt onze onafhankelijkheid gewaarborgd. Wij doen ons werk ongeacht de politieke smaak van de regering van dat moment. Dat is de reden waarom bijvoorbeeld een Wilders het graag anders zou zien en rechters wil kunnen ontslaan bij hem onwelgevallige beslissingen. Dat is ook de reden waarom recente ontwikkelingen in sommige voormalige Oostbloklanden zo zorgelijk zijn. Een onafhankelijke rechtspraak is een belangrijke pijler van de democratische rechtsstaat. Overigens kan het ook anders. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld worden rechters van het Hooggerechtshof wel langs politieke lijnen benoemd en worden rechters en officieren van justitie gekozen. En ik zou toch niet zonder meer willen beweren dat de Verenigde Staten van Amerika géén democratische rechtsstaat is, al zou ik er niet graag als rechter willen werken en er nog minder graag verdachte zijn.

Ik dwaal af. Meestal wordt van zo’n laatste zitting iets feestelijks gemaakt. De kleinkinderen komen langs in net-echte togaatjes, of in een nagespeelde strafzaak krijgt de afscheidnemende collega vanwege te lang en te goed functioneren een gebiedsverbod opgelegd voor de rechtbank en omgeving. Dat soort dingen. Misschien niet heel spectaculair, maar voor de betrokken collega toch bijzonder.

Ik ben in februari plotsklaps uitgevallen. Ik weet niet meer wat mijn laatste zitting was, mijn laatste zaak. Daar moet ik mijn agenda op naslaan. Het was een meervoudige kamer op 30 januari. Ik heb geen herinnering aan de zaken die daarop stonden. De maandag voor ik op vakantie zou gaan, stond er voor mij een politierechterzitting met dronken rijders gepland. Vanwege de relatief eenvoudige aard van zo’n zitting heb ik zondag vanuit het ziekenhuis nog een mail gestuurd aan al mijn collega’s, met de vraag wie, aan de hand van mijn voorbereidingsaantekeningen, die zitting zou kunnen overnemen.

Ik heb mijn werk altijd waardevol gevonden. En dan bedoel ik letterlijk van meerwaarde, niet alleen voor mijzelf, maar ook voor de andere betrokkenen. Het doet pijn om te bedenken dat ik die rol niet meer kan vervullen. Maar hoe belangrijk mijn werk ook altijd is geweest voor wie ik ben en voor waar ik voor sta, ik begin er langzaamaan vrede mee te krijgen dat ik mijn laatste zitting heb gehad.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.