zin van het leven Fokke Obbema

Cabaretier-filosoof Tim Fransen: ‘Laten we lachen om onszelf’

Tim Fransen Beeld Jitske Schols

Op de dag af twee jaar geleden kreeg Fokke Obbema een hartstilstand. Zie het leven als een tragikomedie, zou cabaretier Tim Fransen zeggen. Wat bedoelt hij daarmee?

‘Is de mens wel tot het goede in staat?’ Op 19-jarige leeftijd besloot Tim Fransen naast psychologie ook filosofie te gaan studeren, omdat hij de dringende noodzaak voelde die vraag te beantwoorden. Hij zag het somber in. De mensheid was bezig de planeet om zeep te helpen, maar om hem heen zag hij iedereen vrolijk leven alsof er niks aan de hand was. ‘Ik was erg oordelend in die tijd en verloor een beetje het vertrouwen in de ­medemens. Ik had neerslachtige perioden.’ Zijn beide studies rondde hij niet­temin cum laude af. Inmiddels is hij op 31-jarige leeftijd een ­cabaretier met ­filosofische inslag. De vraag naar de zin van het leven ligt hem, naar eigen zeggen, ‘na aan het hart’.

Dat is niet overdreven: zijn werk staat grotendeels in het teken van de beantwoording ervan.

Zijn twee cabaretprogramma’s, Het failliet van de moderne tijd (2014-2016) en Het kromme hout der mensheid (2017-2018), zijn doordrenkt van de zinvraag. Ook Brieven aan Koos (2018), zijn eerste boek, valt in dat licht te ­lezen: wat moet de mens aan met zijn bestaan, sinds Friedrich Nietzsche God dood heeft verklaard?

De uitspraak van de Duitse filosoof uit 1882 houdt Fransen voor ‘mogelijk de meest bepalende gebeurtenis in de menselijke beschaving’. Dat schrijft hij in zijn afgelopen weekeinde gepubliceerde ­essay Het leven als tragikomedie, waarin hij de mens psychologisch en filosofisch ­fileert. Gebrekkige zelfkennis, hunkering naar erkenning en misplaatste ­eigendunk zijn voorbeelden van tekort­komingen, waardoor de mens op dwaalsporen komt. Bovendien is hij tragisch, want uitgerust met zowel ­biologische overlevingsdrift als een bewustzijn dat hem zijn sterfelijkheid voorhoudt. Mede door die gespletenheid is lijden zijn natuurlijke staat. Vroeger bood het geloof daarvoor nog een rechtvaardiging, met de hemel als wenkend perspectief. Maar sinds Nietzsche heeft het leven de vorm van een tragedie gekregen, vindt Fransen. Toch ziet hij een uitweg.

Wat is de zin van ons leven?

‘Vragen naar ‘de zin’ veronderstelt een objectief, afstandelijk perspectief dat onze individuele levens overstijgt. De ironie is dat het dan niet mogelijk is een zin te benoemen, want vanuit dat perspectief is ons leven op aarde, ergens in een uithoek van het universum, volkomen vergeefs. In het licht van de eeuwigheid draait de vraag uit op een absurditeit. Zin en betekenis ontstaan pas, wanneer je het hebt over de concrete verbindingen die we in ons leven aangaan – met vrienden en geliefden, met ons werk, onze idealen.

‘Maar ook op dat niveau heeft het ­leven een inherent tragische component. Want we kunnen allerlei mooie dingen beleven, maar we weten ook hoe het afloopt, uiteindelijk blijft er niks van ons over. Dat is de tragedie. Om die te relativeren heeft het objectieve, afstandelijke perspectief toch wel waarde, want als we van daaruit naar ons leventje kijken, kunnen we uit de tragedie stappen, al is het maar voor even. Dan kunnen we de mens bezien, met al zijn competitiedrang en ijdelheid, als een wezen dat gedoemd is te falen. Dan krijgt het leven de vorm van een komedie en kunnen we lachen om onszelf, onze gebrekkige menselijke conditie.

‘Natuurlijk, je moet het leven serieus nemen, maar niet te veel. Dan gaan we eronder lijden. Ik zou het werkelijk verstikkend vinden als we dat vermogen niet zouden hebben. Dan zouden we gevangen zitten in de tragedie.’

Hoort bij het relativerende perspectief ook het besef van sterfelijkheid?

‘Ja, ik zie drie grote voordelen aan het onder ogen zien ervan. Op persoonlijk vlak kunnen we gebeurtenissen in ons leven meer gaan waarderen, als we beseffen dat we geen enkele ­garantie hebben dat ze nog een keer terugkomen. Onlangs zat ik bij een theatervoorstelling met op het podium een digitale klok waarop de duur van de voorstelling wegtikte. Ik realiseerde me: die tijd gaat niet alleen over de voorstelling maar ook over mij. Deze anderhalf uur krijg ik op geen enkele andere manier meer terug. Dus laat ik hier dan ook echt zijn. Dat leidde tot een van de meest intense theaterbelevenissen die ik ooit had. Alsof ik me had ingeprent: ‘Ik heb niet meer dan anderhalf uur, dan is het voorbij.’ Beseffen dat alles vergankelijk is en niets vanzelfsprekend, leidt tot een gevoel van dankbaarheid en waardering.

‘Een tweede voordeel zie ik op maatschappelijk vlak. Door het besef van sterfelijkheid komen we hopelijk niet meer in de verleiding mensen op te offeren voor grote utopieën of onsterfelijkheidsprojecten. Ik denk dan aan religie, maar ook aan nationalisme, waarbij het om de glorie van de natiestaat draait. Zo’n hoger doel is maar al te vaak ingezet om mensen te offeren.

‘Ten derde hoop ik dat het doordrongen zijn van onze kwetsbaarheid ruimte biedt voor het besef dat we broeders in de dood zijn. Als we van onze gedeelde kwetsbaarheid, onze gebreken en onze sterfelijkheid doordrongen zijn, kunnen we misschien ook meer compassie en solidariteit opbrengen. Helaas is er een tegengestelde trend in onze cultuur, die erop neerkomt dat we vooral laten zien wat goed gaat, onze prestaties, terwijl we onze kwetsbaarheden afschermen. Dat is zo zonde. Als je alleen maar dat vertelt, blijf je op een oppervlakkig niveau. Pas wanneer iemand ineens zegt: ‘Het gaat niet zo goed tussen mij en Angelique’, kom je ergens. Zo’n gesprek kan alleen plaatsvinden in vertrouwen. Juist door kwetsbaarheid te tonen, kan dat ontstaan.’

Kwetsbaarheid is ‘klote, maar ook de voorwaarde voor alles wat mooi en waardevol is in dit leven’, stelt u in uw essay.

‘In mijn ogen wordt het menselijk ­leven bepaald door onze fundamentele tekortkomingen. Neem de liefde, die we zo hoog hebben zitten en die zo essentieel is voor ons leven. Juist doordat we ons kwetsbaar voelen, zijn we ernaar op zoek en willen we ­iemand in onze buurt die ons een knuffel kan geven en kan troosten, met wie we vreugde kunnen delen. We zijn dus heel anders dan de volmaakte God, die niemand nodig heeft.’

U gelooft niet in God. Bent u er zeker van dat hij niet bestaat?

‘Weten doe ik het uiteraard niet, maar ik ben wel erg sceptisch. Als hij wel bestaat, weten we niet wat zijn bedoelingen zijn. En voor iemand die almachtig is, is zijn communicatie behoorlijk belabberd. We hebben geen idee wat hij van ons verlangt. Ik zie heus wel de troost die religie aan mensen biedt, daar zitten mooie kanten aan. Maar de hoop die ik heb, staat met God op gespannen voet. Daarom zou ik willen dat we elkaar zien als broeders in de dood: als er geen zaligmakende verlossing is, dan betekent het dat we het hier met elkaar moeten doen. We zitten met zijn allen in hetzelfde, lekkende schuitje.

‘God staat bij het doordringen van dat besef een beetje in de weg. Hij verdeelt de mensheid in gelovigen en niet-gelovigen. En ook de gelovigen ruziën over hem. Het inzicht dat we het met elkaar moeten zien te rooien, zie ik als een voedingsbodem van solidariteit. Maar als we allemaal onze ­eigen uitvlucht tegenover de ellende bedenken dan wordt die ondermijnd. We kunnen er niet op vertrouwen dat het vanzelf goed komt. Nee, het is aan ons. Ik zie dat als onze opdracht.’

Dat klinkt haast religieus.

‘Dat begrijp ik, maar zo bedoel ik het niet. Het is een opdracht die we onszelf geven, een fighting creed. Het is een overwinning die we op onszelf moeten behalen. Ik vertrouw niet op onze natuur, want dan zie ik meteen onze tekortkomingen opdoemen die tot de grootste wreedheden hebben geleid. In die valkuil kunnen we telkens opnieuw tuinen. Ik denk ook dat onze beschaving precair is. Wat wij hebben bereikt, is uitzonderlijk: de ­liberale democratie en de rechtsstaat. Als we het behoud daarvan niet als strijd blijven zien, verliezen we hem. In die zin heb ik geen vertrouwen. Ik vind dat te passief.’

Terug naar onze sterfelijkheid. Waarom staan we met onze rug naar onze dood?

‘Ik heb ook een groot deel van mijn ­leven in een halve droomtoestand rondgelopen, met het waanidee dat het leven eeuwig is. Dat idee koesteren we diep, al dan niet bewust. We willen dat het menselijk project voor altijd doorgaat en ervaren het als verontrustend dat onze planeet eindig is, zelfs al ­maken de kleinkinderen van onze kleinkinderen dat niet mee, omdat het pas over miljarden jaren gebeurt. Toch voelt dat einde voor velen helemaal niet lekker. Zo sterk identificeren we ons dus met de eeuwigheid.

‘Tegelijkertijd beseffen we onze eindigheid. Ik denk eerlijk gezegd dat dat een vergissing van de evolutie is. Biologisch zijn we uitgerust met een enorme overlevingsdrang, maar onze geest weet dat we gaan sterven. Die gespletenheid leidt tot een intern conflict. We hebben dan ook iets op te lossen. Potentieel kan die gespletenheid ons verlammen van angst. Een oplossing van dit conflict hebben we echt nodig. Want dit gun je niemand.’

Wat weerhoudt de mens van zelfmoord, de vraag van Camus, komt in beeld.

‘De kosmos of de natuur verleent ons geen zin of betekenis. Als je er zoals ik van uitgaat dat er geen Schepper met een bedoeling is geweest, dan is de ­wereld van zichzelf betekenisloos en heeft die een toevallige oorsprong. Dat maakt dat zin en betekenis niet zozeer een vraag vormen, maar een opdracht. Het is aan ons een wereld te scheppen van rechtvaardigheid, schoonheid, troost en vreugde, een wereld met zin en betekenis. Al die dingen zijn niet ingebed in het weefsel van het universum, het is aan ons ze in te brengen.’

De gespletenheid van de mens maakt ook beschaving mogelijk, schrijft u.

‘Beschaving is de houding die we innemen ten opzichte van onze natuur. Van nature zijn we niet altijd geneigd het goede te doen – we hebben allerlei egoïstische, wrede neigingen. De mens ziet bijvoorbeeld de ander helemaal niet als gelijkwaardig – hij wil zich juist superieur tonen. Toch hebben we besloten dat iedereen gelijk is voor de wet, tegen onze natuur in. Onze geest kan dus onze natuurlijke aandrang observeren en de vraag stellen: ‘Als iedereen dat heeft, hoe kunnen we dan de samenleving het beste inrichten, welke regels passen daarbij?’ Ons bewustzijn maakt dat we onszelf kunnen doorzien en onze ­natuurlijke neigingen in goede ­banen kunnen leiden. In die zin is onze gespletenheid niet alleen het probleem, maar ook onze beste hoop op een oplossing.’

Journalist Fokke Obbema kreeg op 1 april 2017 een hartstilstand. In een reeks ­interviews gaat hij op zoek naar de zin van ons leven. Voor alle verhalen: volkskrant.nl/zinvanhetleven. 

Leestip

‘Worm at the core van Sheldon Solomon. Ons sterfelijkheids­besef is onze meest dominante drijfveer, luidt de stelling in dit boek van een New Yorkse sociaal-psycholoog. Het is gebaseerd op een relatief nieuwe, baanbrekende theorie, de Terror Management Theory, die op honderden psychologische experimenten steunt. Deze theorie voedt mijn overtuiging dat onze hoop schuilt in het onder ogen zien van onze diepste angst.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.