Opinie Burn-out

Burn-out ontbeert wetenschappelijke basis

Het is een reëel probleem, maar wat we over burn-out denken te weten, is meer mening dan feit. Om klachten goed in kaart te brengen en te behandelen, is grondig onderzoek nodig, aldus psychiater Christiaan Vinkers.

Beeld Getty

‘Ik zit tegen een burn-out aan’, zo verzuchtte een collega recent tegen mij. Hij is niet de enige. Ongeveer 1 op 7 Nederlanders heeft burn-outklachten, er zijn tienduizenden burn-outcoaches en de kranten staan vol met alarmerend nieuws over deze ‘epidemie’. Al deze aandacht voor burn-out is logisch: de hectiek van het dagelijkse leven en de worsteling om in balans te blijven zijn voor veel mensen herkenbaar. Als je langdurig over je grenzen heen gaat, dan kan dat inderdaad grote negatieve gevolgen hebben. Een reëel probleem met in potentie grote gevolgen dus, en goed dat er aandacht voor is.

Maar er is een belangrijke fundamentele kwestie waar veel te weinig over wordt gesproken: wat is een burn-out? Deze vraag klinkt op het eerste gezicht wat vreemd. Dat weten we toch al lang? Een burn-out werd in de jaren zeventig immers gedefinieerd als emotionele uitputting, een cynische werkhouding en een verminderde bekwaamheid op het werk. Uit die tijd komt ook de nog steeds veelgebruikte vragenlijst, de Maslach Burnout Inventory, die deze klachten uitvraagt. Maar een burn-out kún je helemaal niet vaststellen met een vragenlijst, net zoals dat niet gaat met bijvoorbeeld een depressie of autisme.

Het gaat echter nog verder: een burn-out is geen bestaande diagnose, net zomin als overspannenheid en de al wat oudere term surménage. Een psychiater of huisarts kan een burn-out in de spreekkamer dus helemaal niet betrouwbaar vaststellen. De criteria zijn niet eenduidig en verschillen ook nog eens per expert of richtlijn. En burn-outsymptomen zoals slaapproblemen, moeheid, piekeren en prikkelbaarheid komen ook vaak voor bij depressies of angststoornissen. Een ernstige burn-out is dan ook niet goed te onderscheiden van een depressie of een angststoornis. Een andere vraag is hoeveel last iemand moet hebben voordat er sprake is van een ziekte. Moeheid, prikkelbaarheid en slaapproblemen zijn problemen waar helaas veel mensen mee te maken krijgen. Het zijn belangrijke signalen om in actie te komen, maar daarmee nog geen ziekte.

Ook zijn er conceptuele problemen als het gaat om burn-out. Van origine is burn-out een arbeidsgerelateerde aandoening, maar dat lijkt tegenwoordig min of meer losgelaten. Een burn-out kan ook optreden bij mensen die niet werken of last hebben van stress door oorzaken buiten het werk. Een ander fundamenteel probleem is dat burn-out toch wel zwaar lijkt te leunen op een cirkelredenering: eerst definiëren we een burn-out als cynisme en uitputting, en vervolgens vragen we naar deze symptomen om een burn-out vast te stellen. Door alle alarmerende berichten op basis van vragenlijsten lijkt het ondertussen alsof burn-out en stressklachten in Nederland epidemische vormen aannemen. Maar het aantal patiënten met overspannenheid in de huisartsenprakijk nam tussen 1991 en 2014 met 25 procent af, we geven onze geestelijke gezondheid een steeds hoger cijfer en de afgelopen 30 jaar zijn de depressiecijfers stabiel gebleven.

Toch zijn er veel mensen die echt worstelen met burn-out en overspannenheid, en de klachten zijn voor veel mensen herkenbaar. Maar de paradox is: iedereen doet alsof duidelijk is wat een burn-out is, terwijl we dat eigenlijk niet precies weten en professionals het niet goed kunnen vaststellen.

Een pragmatisch ingesteld mens zou kunnen stellen: waarom hebben we een aparte diagnose en criteria nodig voor burn-out? Er zijn toch mensen die met stress worstelen en daar last van hebben? Maar door te doen alsof burn-out een goed omschreven aandoening is, houden we onszelf een beetje voor de gek. Want als we niet goed weten wat een burn-out is, hoe moeten we hem dan behandelen? Inmiddels is er een heuse burn-outindustrie ontstaan met bedrijven, boeken, televisieprogramma’s en een scala aan mogelijke behandelingen. Met goede intenties vaak, en wellicht ook helpend, maar met een zeer mager wetenschappelijke fundament.

Het is dan ook de vraag of alle tijd, geld en moeite die we in burn-out steken zinvol is zolang we niet goed weten wat het precies is. Ik durf wel te stellen dat veel van wat we denken te weten over burn-out meer mening dan feit is. Mensen met een burn-out zouden beter geholpen kunnen worden vanuit een stevige wetenschappelijke basis.

In plaats van alarmerende koppen in de krant op basis van vragenlijsten moeten we terug naar de start. Wat mij betreft zouden psychiaters, sociologen, bedrijfsartsen, psychologen, filosofen en ervaringsdeskundigen de koppen bij elkaar moeten steken en het fenomeen burn-out grondig moeten onderzoeken.

Stressgevoeligheid en overbelasting kunnen veel klachten geven, maar zijn ook complex: vaak spelen maatschappelijke, biologische en psychologische factoren een rol. Overeenstemming over hoe we deze klachten goed in kaart brengen en wanneer én hoe we er iets aan moeten doen is zeer welkom. Laten we ons tot die tijd terughoudender en vooral kritischer opstellen in de berichtgeving over burn-out.

Christiaan Vinkers is psychiater en stressonderzoeker.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.