COLUMNEva Hoeke

Briefjes met Bens handschrift slingerden nog op tafel, net als zijn leesbril, gum en potloodjes

Beeld Aisha Zeijpveld

Opa Ben is er niet meer, maar de herinneringen aan hem zijn overal, merkt Eva Hoeke.

Woensdag. Ik zat te werken in het kamertje op het noorden, het elektrische kacheltje straalde tegen mijn kuiten. Mijn moeder kwam binnen met koffie. Ze ging de was ophangen, zei ze. Ik zette de radio aan, zoals elk jaar was de Klassieke Top 400 van Radio 4 in volle gang. Het bracht me terug naar onze vakantie op Terschelling, zelfde jaargetijde, in een boerderij in Rembrandtkleuren. Mijn moeder die gehaktballen maakte, de kinderen die in de weer waren met beukennootjes, potjes Yahtzee in een leren beker en opa Ben die meezong met het Ave Maria, zijn stem op smaak gebracht door de fles Jutterbitter op de bar.

Vier weken alweer, sinds we hem dood hadden aangetroffen in zijn stoel.

De schrik was verdwenen, net als de overdreven alertheid die volgt op een nare gebeurtenis en maakt dat je een poosje bang bent voor alles en iedereen – deuren op slot, kijk uit op de fiets, had ik de stekker nu wel of niet uit het elektrische kacheltje getrokken? Ik kon het leven weer zien zoals het is, een betrekkelijk zinloze exercitie met daarbinnen de kans om het zo aangenaam mogelijk te maken. Briefjes met Bens handschrift slingerden nog op tafel, naast het blik koekjes voor de meisjes, net als zijn leesbril, gum en scherp geslepen potloodjes. Alleen zijn medicijnen, die had mijn moeder in een plastic zakje gestopt en weggebracht, terug naar de apotheek.

Mijn moeder de Flinke, kind uit een gezin van dertien, ja hoor, ik red me wel. Wanneer ze écht een rotdag heeft hoor ik het vaak pas de dag erna.

Tot die tijd: doordouwen.

Veel te doen ook hoor, wanneer iemand zomaar doodgaat. De afhandeling bij de notaris, het stopzetten van pasjes en abonnementen, nee, dat doe je niet in een dag. Alleen het doorzoeken van zijn spullen – waar o waar was zijn paspoort? – dát had ze onplezierig gevonden. Wat van hem was was van hem, wat mijn moeder betreft bleef dat zo.

Rondje om, eten koken, toch maar een glas wijn.

Ook ik had een lijstje gemaakt van zaken in huis die ik nu zelf moest repareren, het leek me geen reet aan, alleen. Ik keek naar buiten, waar een plastic zak over straat waaide. Eén keer had mijn moeder zich laten gaan, toen ze uit het raam een oude man voorbij had zien schuifelen. ‘Dat leeft ook maar door hè’, had ze gemompeld. Toen ze me dat later vertelde bracht ze het als een grap.

‘Zullen we een feest voor hem organiseren als die hele coronatoestand straks voorbij is?’, stelde de Man voor toen we een week eerder de kinderen kwamen brengen, want het oppassen had ze ook weer opgepakt. ‘Dan maken we die kale uitvaart tenminste een beetje goed.’ Ja wie weet, knikte mijn moeder, maar ik zag wat ze dacht. De mensen zijn dan allang weer doorgegaan, tegen die tijd zijn er alweer zoveel nieuwe doden te betreuren. Ben weg, moment weg, rouw weg. Voor hen dan.

Ik wilde net aan mijn werk beginnen toen de deur weer openging.

Mijn moeders hoofd om de hoek, haar jas al aan, ze ging een rondje om. ‘Wacht even’, zei ik. Je hebt dat boek toch nog wel bewaard dat ik voor Ben had gekocht?’ Wat we niet kunnen weten van Marcus du Sautoy. Hij zat het te lezen toen de dood hem overviel, het was keurig op zijn schoot blijven liggen. 

‘Ja natuurlijk’, zei mijn moeder.

Ze schikte haar shawl. ‘Het is heel wis- en natuurkundig, daar hou ik niet zo van, maar het heeft een kleurrijke kaft, het is een mooi boek.’ Daarna, bijna verontschuldigend: ‘En het ligt op z’n plek.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden