Brief aan Remco Campert

Brief van Kees van Kooten aan Remco Campert

Ter gelegenheid van het verschijnen van de biografie van Remco Campert heeft Kees van Kooten op verzoek van de boekenredactie een brief geschreven aan zijn vriend.

Foto Typex

Beste Vriend Remco,

Bij de almaar voortdurende huldiging van het nationale WK voetbalelftal zag ik hier op de Franse televisie honderden groepen meisjes van veertien uitzinnig springen en gillen dat ze verliefd waren op Mbappé en dat ze hem gezien hebben en dat hij TERUGKEEK  een gezond blozende hysterie die je nou nooit eens tegenkomt bij jongens in dezelfde groeispurt die met de baard in de keel huilend uithalen stapeldol te zijn op de blonde aanvoerster van een zojuist Europees kampioen geworden damesvolleybalteam. Jongens kraaien hun opwinding zelden van de daken, zomin als mannen van zeventig, tachtig, negentig jaar oud hun vriendschap met een leeftijdgenoot hardop zullen openbaren. Ik vind jou een kostelijke verschijning, zeer aangenaam gezelschap, een groot dichter en een daverende humorist, maar ik wil hier met nadruk stellen dat ik niet verliefd op je ben, want daar komen maar praatjes van.

In heel mijn leven heb ik maar één andere Remco gekend (Remco Vrijdag, geniaal imitator en vriend van mijn zoon Kasper) maar nu zag ik gisteravond bij Sporza, op de Belgische televisie, een achttien jaar oud wielrennertje dat Remco Evenepoel heet en door de ware kenners zonder voorbehoud wordt beschouwd als de nieuwe Eddy Merckx.

Jouw oprechte liefde voor de wielersport in aanmerking nemende, moet het je goed doen te weten dat er, wanneer wij beiden allang dood zijn, een heuse Remco voor de zesde keer op rij de Tour de France zal winnen. En dat er tussen de honderden schatjes die Remco Evenepoel te dien tijde met hart en ziel zullen zijn toegedaan tientallen meisjes zitten die, uit liefde en bewondering voor jouw monumentale oeuvre, door hun ouders met de naam Remca getooid zijn.

Ik bedacht vannacht, dankbaar, dat wij elkanders moeder nog hebben gekend. Dat vind ik een behaaglijk idee. Ik kende de jouwes beter dan jij de mijnes, omdat Joekie Broedelet meer dan eens onze meesterlijke tegenspeelster was in een komische televisiescène, terwijl jij niet nader tot mijn moeder Annie bent gekomen dan twee à drie attente gesprekjes met haar, op mijn verjaardag, toen wij nog in Hilversum woonden. Ik herinner me nu, als bijvangst, dat de zwerfhond die mijn ouders in 1941 in huis namen ook zo gedoopt werd: Joekie.

Foto Typex

Terwijl onze moeders nog leefden, werden onze vaders ieder jaar doder, tot zij nauwelijks meer te bevatten waren. De mijne (dat bovenstaande ‘mijnes’ zei je alleen van je moeder en nooit van je vader) overleed redelijk comfortabel in het Roode Kruis Ziekenhuis aan de Haagse Sportlaan, op 10 januari 1979 maar de jouwe stierf onder erbarmelijke omstandigheden op 12 januari 1943, in Neuengamme. Deze datum haal ik uit het door jou geschreven boekje Over Mijn Vader, verschenen in 2004 en door Vrij Nederland ‘een huiveringwekkend, ontroerend verhaal’ genoemd, hetgeen ik nog zwak vind uitgedrukt.

Op woensdag 25 april 2018 heb ik van elf uur ’s ochtends tot rond middernacht aan jou en je vader gedacht. Dat kwam zo.

Voor onze terugtocht vanuit Frankrijk naar Amsterdam, die leidt langs ieder jaar meer uitgestrekte kerkhoven van levend begraven, nog gloednieuw ogende, voor de rest van hun leven onverkoopbare auto’s, had Barbara een stop en een overnachting gepland in Colombey-les-deux-Eglises, een dorp in het departement Aube, 250 kilometer ten oosten van Parijs. Daar praalt terzijde van een gigantisch Lotharinger Kruis, op een heuvel, met een adembenemend uitzicht over tientallen Van Goghgele voetbalvelden vol koolzaad, een majestueus en grotendeels doorzichtig museum, dat aangekondigd wordt als Le Charles de Gaulle Memorial. Het opent zijn glazen deuren om tien uur ’s ochtends. 

Wij waren de eerste en enige bezoekers en lieten ons op eigen houtje en twee uur lang bijscholen in de militaire en politieke geschiedenis van de Generaal en zijn Frankrijk, gedurende de periode tussen zijn geboorte (1890) en overlijden (1970). Deze permanente expositie is alleen al duizelingwekkend door de volmaakte audiovisuele presentatie; de spectaculaire memorabilia (je mag zijn schitterende trio Citroëns gewoon aanraken, ja zelfs laten toeteren); over glazen vloeren lopend kijk je recht onder je voeten in de hyperrealistisch gereconstrueerde loopgraven vol soldaten uit de Eerste Wereldoorlog; je slaat een hoek om en stuit op schuilkelders, woninginterieurs en Parijse straatscènes uit WO II; boven je hoofd zie je met schokken van herkenning een bontgekleurde hemel van honderden reclameborden en affiches hangen; via jukeboxen en ratelende projectoren kun je de muziek en de cinema uit de zestiger en zeventiger jaren herbeleven; je ziet en hoort Roosevelt en Pétain en Churchill en Mussolini en De Gaulle, compleet met zijn uitvaart, die nog altijd geldt als het afscheid van een ex-staatshoofd waarbij de meeste staatshoofden aller landen ooit aanwezig waren.

Maar nu terzake van jou en mij. In een geheel glazen zaal op de tweede verdieping is een permanente fototentoonstelling ingericht met beelden en stoffelijke overblijfselen uit de Duitse concentratiekampen. En daar hangt een foto uit Neuengamme tussen. Commémoration de la Libération de Neuengamme, le 4 mai 1945. Negen in wijde, gescheurde doodshemden gehulde mannen kijken met de holst denkbare ogen in de camera. Hun blote benen zijn zo dun als honkbalknuppels.

Ik had de dag hiervoor 650 kilometer aan een stuk gereden en die nacht nauwelijks geslapen, wat mijn verdwaasdheid zou kunnen verklaren.

Ik denk namelijk twee seconden lang dat ik een foto van deze foto moet nemen, voor jou, voor thuis. Want misschien stond je vader hier tussen. Dat jij dan blij daarmee zou zijn. Waanzieker kun je het niet bedenken want ik heb, weer drie seconden verder, nog steeds de indruk dat ik op de goede weg ben en stel mijn cameraatje scherp totdat Barbara, blijkbaar voelend hoe ver ik afdrijf, fluistert: ‘Maar hier was Remco’s vader toch al dik twee jaar dood ? Want dit was de bevrijding.’

‘Ja, gelukkig’, zeg ik dan ook nog.

Toen ik je dit vertelde, luidde jouw antwoord:

‘Ik heb De Gaulle altijd zeer bewonderd. Ik heb een beker, met zijn portret. Waar ik uit eerbied niet uit drink’.

In dat zinnetje Campert het weer eens van jewelste. Schitterend beeld.

Somberman zou er juist wél uit drinken. Hele gore wijn, met veel verslikkingen. Ha, dat deed een mens goed. Maar jij zelf, Wonderman dus, doet niets met die beker. Je kijkt er alleen maar naar.

Ga zo door, vriend.

Zet alles op alles en dicht één keer per week een stralend iets op niets. 

Op verzoek van de boekenredactie van de Volkskrant schreef Kees van Kooten afgelopen zomer een brief aan zijn vriend Remco Campert, ter gelegenheid van het verschijnen van de biografie. In februari 2019 verschijnt bij De Bezige Bij een briefwisseling tussen Campert en Van Kooten onder de titel AANELKAAR.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.