Opinie

Brexit-referendum is een gok: 'Not our country anymore'

Een uitspraak van het volk is een probaat middel om een slepend conflict te beslechten. Hans Wansink vraagt zich af of dat ook geldt voor het Brexit-referendum.

Nigel Farage, de leider van de UKIP, op campagne in 2015, met een toilettas van Dad's Army: 'Don't panic. It's only a bit of soap!' Beeld Getty

David Cameron, de Conservatieve premier van het Verenigd Koninkrijk, vecht voor zijn politieke leven. De concessies die hij heeft bereikt in de onderhandelingen met Brussel over voortzetting van het Britse lidmaatschap van de Europese Unie stellen wel degelijk wat voor, met name met betrekking tot de gelijkberechting van niet-eurolanden aan eurolanden.

Buiten de euro en buiten de Schengenzone van reizen zonder paspoort, maar profiterend van de interne markt, heeft Groot-Brittannië in de ogen van Cameron 'het beste van twee werelden'. Is dat overtuigend genoeg om op 23 juni het allesbepalende referendum over het lidmaatschap van de EU te winnen?

De gevestigde orde van de Britse politiek, inclusief Labour en de Liberal Democrats, volgt Cameron weliswaar, maar zonder veel overtuiging. De jongere voorstanders van het Britse lidmaatschap van de EU blijken weinig animo te hebben de gang naar het stemlokaal te maken.

Bedelstaf

Vandaar dat dreigementen, als zou een Brexit de Britten aan de bedelstaf brengen, een steeds grotere rol gaan spelen in de Blijf-campagne. Zelfs de Amerikaanse president Obama werd ingevlogen om de Britten tot de orde te roepen. Dat zou weleens averechts kunnen werken. Want de Britten staan van oudsher zeer kritisch tegenover het Europese continent in het algemeen en Brussel in het bijzonder.

Juist om deze reden schreef Harold Wilson, de toenmalige premier en leider van de Labour Party, in 1975 een referendum uit om de toetreding, die in 1973 had plaatsgevonden, te bekrachtigen. Het was het eerste nationale referendum in de geschiedenis van het Verenigd Koninkrijk.

Uniek was ook dat Harold Wilson dissidente ministers toestemming gaf oppositie te voeren tegen het lidmaatschap van de EU. Indertijd waren aanvoerders van de linkervleugel van Labour als Tony Benn en Michael Foot fel tegen de Europese Gemeenschap, die zij beschouwden als een kapitalistisch kartel. Wilson wilde door middel van een volksuitspraak deze linkse opposanten definitief het zwijgen opleggen.

Valsgespeeld

Op 5 juni 1975 stemde 67 procent van de Britten Ja en 33 procent Nee. De opkomst was 65 procent van de kiesgerechtigden, zodat Harold Wilson tevreden achterover kon leunen. Het volk had gesproken, een slepend politiek conflict leek voor eens en voor altijd beslecht. Ook in de Labour Party leek de rust weergekeerd.

Maar schijn bedroog; de steun was weliswaar breed, maar niet diep. Bovendien speelde het Ja-kamp een beetje vals. De Europese Gemeenschap, consequent aangeduid als de 'Common Market', werd voorgesteld als nauwelijks meer dan een lucratief handelsverdrag dat niet zou leiden tot inleveren van soevereiniteit.

Het enthousiasme van de Britten zakte al snel in, zeker toen vaart werd gemaakt met de 'ever closer union', culminerend in het Verdrag van Maastricht van 1992. Wijselijk zag de leiding van de Conservatieve partij af van een referendum over wat nu de Europese Unie ging heten. Dit was tegen het zere been van Margaret Thatcher, de oud-partijleider van de Conservatieven. Zij was tegen het verdrag en wilde haar gelijk halen door middel van een referendum over 'Maastricht'.

Inmiddels was ook bij het in de oppositie verkerende Labour de pleuris uitgebroken. Daar slaagde de hard left erin de partij te bewegen tot eenzijdige nucleaire ontwapening én het verlaten van de Europese Gemeenschap. In verzet tegen het links-radicale, anti-Europese sentiment in de partij richtten Roy Jenkins (oud-voorzitter van de Europese Commissie), David Owen, Shirley Williams en Bill Rogers, beter bekend als de Gang of Four, de Social-Democratic Party op. Deze SDP zou later opgaan in de Liberal Democratic Party, die in 2010 een coalitie zou aangaan met de Conservatieven van David Cameron.

'Stille revolutie'

Intussen werd in 1993 de United Kingdom Independence Party opgericht in een stoffig kantoor van een docent geschiedenis aan de London School of Economics. De UKIP was een partij met maar één programmapunt: weg uit de Europese Unie. De leiders waren geobsedeerd door constitutionele vraagstukken, waaraan de modale Britse kiezer geen boodschap had. De UKIP probeerde eurosceptische Conservatieve leden van het Hogerhuis te bewegen hun partij te verlaten. In de eerste tien jaar van haar bestaan kwam de UKIP bij regionale en landelijke verkiezingen niet boven de 1,7 procent uit. Aan de verkiezingen voor het Europees Parlement nam de UKIP aanvankelijk om principiële redenen niet eens deel.

Dat de UKIP een marginaal bestaan leidde, was te wijten aan politiek amateurisme, niet aan de scepsis van een groeiend deel van de kiezers ten opzichte van het Britse politieke bedrijf en ten opzichte van de Europese Unie. Kiezersonderzoek, bijeengebracht door Robert Ford en Matthew Goodwin in Revolt on the Right, toont aan dat er sinds de jaren tachtig een 'stille revolutie' onder de kiezers aan de gang is.

De klasse van blanke, laaggeschoolde arbeiders nam af ten gunste van een goed opgeleide middenklasse van professionals. De opvattingen van de 'left behind' in met name het arme noorden van Engeland begonnen steeds sterker te verschillen van die van de beter opgeleiden.

Arbeiders voelden zich in de steek gelaten door 'Westminster' en zagen de stroom van honderdduizenden arbeidsmigranten uit EU-landen als Polen als een bedreiging voor hun bestaan. Een soortgelijke kloof deed zich voor tussen de generaties. Oudere Britten die het wereldrijk en de swinging sixties nog hadden meegemaakt, ervoeren bemoeienis van Brussel als huisvredebreuk.

Not our country anymore - dat was het sentiment dat beide gedesillusioneerde sociale groepen verbond. Zij klampten zich vast aan een geïdealiseerde Britishness. Hoogopgeleide jongeren daarentegen waren gewend aan een multi-etnische samenleving en wisten niet beter dan dat hun land deel uitmaakte van de Europese Unie.

Tony Blair en Gordon Brown waren allesbehalve politieke amateurs. Toen zij in 1994 de macht in de Labour Party overnamen, roeiden ze oude socialistische vormen en gedachten met wortel en tak uit. De enige manier om na het echec van 1979 tegen Thatcher ooit weer een verkiezing te winnen, realiseerden zij zich, was om aantrekkelijk te worden voor de professionele middenklasse, inclusief de bankiers in de Londense City. New Labour was een soort Thatcher Light, dat de partij aan een indrukwekkende reeks verkiezingsoverwinningen hielp. De 'left behind' werden bewust als ballast overboord gegooid, hen werd zelfs racisme en vreemdelingenhaat aangewreven.

Politieke daad

Het duurde even voordat Nigel Farage, de nieuwe charismatische voorman van de UKIP, in de gaten had dat hij in de verkeerde vijver zat te vissen. Zijn partij brak bij de verkiezingen voor het Europees Parlement door met 16 procent van de stemmen, net iets minder dan Labour. Uit kiezersonderzoek bleek dat de nieuwe aanhang heel ergens anders zat dan bij het selecte gezelschap van Conservatieve Brusselhaters, namelijk bij de 'left behind' die door Blair en Brown in de steek waren gelaten. Farage ging campagne voeren in de pubs van de oude industriesteden, verbreedde zijn programma in populistische zin - anti-immigratie, anti-islam, eigen volk eerst, pro-referendum - en incasseerde bescheiden successen in regionale verkiezingen.

En toen kwamen de verkiezingen voor het Europees Parlement van 2014. De UKIP werd met 4.376.635 stemmen (27 procent) de grootste Britse partij, met 24 van de 73 zetels. Labour scoorde er 20 en de Conservatieven kwamen niet verder dan 19 zetels. De UKIP was een politieke factor van betekenis geworden. Bij de parlementsverkiezingen van 2015 haalde de UKIP 3.881.099 stemmen (12,6 procent). Goed voor één zetel in het Britse Lagerhuis. Dankzij het districtenstelsel had Groot-Brittannië weinig te vrezen van buitenstaanders, wat jarenlang bij het establishment de illusie in stand had gehouden dat rechts-populisme iets was van het Europese continent. In feite vindt de opstand van de kiezers in Groot-Brittannië alleen vijftien tot twintig jaar later plaats dan in landen met een kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging.

Vlucht naar voren

Net als Wilson veertig jaar eerder realiseerde de Conservatieve premier Cameron zich dat de groeiende twijfel over het lidmaatschap van de in economische malaise verkerende Europese Unie om een politieke daad vroeg. En eveneens net als Wilson zag Cameron geen andere weg om de oppositie in eigen partij en de opmars van de UKIP de kop in te drukken dan door het volk om een uitspraak te vragen. Hij koos voor de vlucht naar voren en beloofde een referendum over de vraag of het Verenigd Koninkrijk in de EU moet blijven. Op het moment dat Cameron zijn belofte deed, was zo'n 70 procent van de Britten voor blijven in de EU. Zijn vermetele actie werd vorig jaar beloond met een klinkende verkiezingsoverwinning.

Maar in een tijdperk waarin de massa's van gedesillusioneerde kiezers hun vertrouwen hebben verloren in de gevestigde politiek, is elk referendum een gok. Dat hebben we in Nederland gezien op 6 april - en het was een teken aan de wand dat UKIP-leider Farage de overwinning van ons Nee-kamp als een enorme opsteker zag voor het Brexit-referendum van 23 juni. Slecht nieuws over de Europese Unie, die geen greep weet te krijgen op de eurocrisis, de Griekse kwestie en de vluchtelingenstromen, heeft ook in Groot-Brittannië het anti-Europese sentiment enorm aangewakkerd. Met als resultaat dat de royale meerderheid van blijvers in de peilingen als sneeuw voor de zon is verdwenen.

Het referendum van 5 juni 1975 bleek al niet afdoende om een einde te maken aan de ambivalente houding van de Britten ten opzichte van Europa. Dat van 23 juni zet de tegenstellingen op scherp. Het is onwaarschijnlijk dat de verliezers van het referendum zich bij de uitslag zullen neerleggen. Daarvoor is de Britse samenleving inmiddels te gepolariseerd en is het wantrouwen van de kiezers in de gevestigde partijen te groot. En dan laten we nog buiten beschouwing dat de Schotten veel positiever tegenover de EU staan dan de Engelsen. Of Edinburgh een Brexit zal meemaken, is zeer de vraag.

In het algemeen geldt dat referenda bij uitstek geschikt zijn politieke impasses te doorbreken. Het Britse referendum van 23 juni lijkt de uitzondering op deze regel te zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden