Boerkaverbod legaliseert angst voor ander

Voorstel draagt bij aan steeds breder gedragen anti-moslim tendens

Tien jaar geleden werd het als discriminatie beschouwd. Nu is een boerkaverbod opeens normaal.

Demonstrant tegen het boerkaverbod. Beeld Joost van den Broek / de Volkskrant

Afgelopen november nam de Tweede Kamer een wetsvoorstel aan voor een gedeeltelijk verbod op gezichtsbedekking. Vandaagstart de Eerste Kamer een onderzoek naar dit verbod. Gaat de Eerste Kamer akkoord dan wordt het dragen van gezichtsbedekkende kleding in het onderwijs, openbaar vervoer, overheidsgebouwen en de zorg verboden.

Hoewel de wet ook geldt voor integraalhelmen en bivakmutsen maakte het parlementaire debat kraakhelder dat deze wet zich primair richt op de islamitische gezichtssluier als zijnde 'niet Nederlands'. Zo sprak Van Klaveren (VNL) over 'stoffen gevangenissen' en plaatste Azmani (VVD) gezichtsbedekking tegenover 'normaal, menselijk contact [...] zoals wij dat in dit land gewend zijn'.

De boerka wordt in Nederland vrijwel niet gedragen. Het aantal vrouwen dat de niqaab draagt wordt geschat op maximaal 400.

Belt een dokter straks de politie als zij een gesluierde vrouw in haar wachtkamer treft? Integendeel, artsenfederatie KNMG acht het verbod 'onwenselijk en onnodig'. Mocht vermomming tot veiligheidsproblemen leiden dan beschikt de politie reeds over de identificatieplicht en de mogelijkheid tot noodverordeningen.

Voorvallen in onderwijsinstellingen, zoals op een ROC in 2003 en de VU in 2004, konden probleemloos met interne regelgeving opgelost worden. Het beoogde effect van het verbod ligt dus niet in het verbeteren van de werksituatie van artsen, politie of leraren.

Toch is de boerka al ruim 10 jaar onderwerp van het publieke debat. Weinig burgers genieten een dergelijk buitenproportionele toewijding van parlementariërs, commissies en beleidsmakers. Wat maakt juist de niqaab van 400 Nederlanders - 0,000024 procent van de bevolking - tot een overheidsaangelegenheid?

Stigmatisering

Het antwoord is verontrustend. Het voorstel is onderdeel van symboolpolitiek met stigmatisering van moslims in Nederland tot resultaat.

Voor de duidelijkheid: de niqaab is onder moslims controversieel. In bijvoorbeeld Nigeria, Jordanië en Tunesië klinkt geregeld de roep om een verbod op gezichtssluiers. Marokko kondigde deze week een verbod aan op de verkoop van de boerka.

Maar het doel dat de discussie dient in een Nederland dat zich opmaakt voor verkiezingsstrijd is specifiek: het verbod moet het kiezerspubliek van links tot rechts overtuigen dat de politiek de vermeende islamisering inperkt. Zo wordt Nederlanderschap geformuleerd door het af te zetten tegen de groep waar de niqaab stilzwijgend of expliciet symbool voor komt te staan: de moslimgemeenschap.

De wet staat daarmee op gespannen voet met de rechtsstaat en de mensenrechten en moest keer op keer herschreven worden. Al in 2005 stelt Geert Wilders een algemeen 'boerkaverbod' voor. Maar een commissie aangesteld door toenmalig minister Verdonk, beschouwt de wet als discriminerend en mogelijk stigmatiserend. Zij adviseert in 2006 tegen de invoering.

De commissie waarschuwt dat de regering met deze wetgeving partij kiest in een discussie over de wenselijkheid van bepaalde godsdienstige uitingen. Daarmee wijkt de overheid af van haar seculiere principe. Mensenrechtenorganisaties als Amnesty International keuren daaropvolgende versies van het wetsvoorstel af. In 2015 oordeelt de Raad van State dat het verbod geen dringende maatschappelijke behoefte betreft, en dat onvoldoende is aangetoond dat gezichtsbedekking onverenigbaar is met de maatschappelijke orde.

Politici presenteren de sluier als politiek spandoek tegen 'de Nederlandse cultuur'. Maar de voorgeschiedenis van het wetsvoorstel leert dat wat eerder werd afgedaan als discriminerend en polariserend nu genormaliseerd is in het publieke debat.

Als er érgens een verschuiving van de geliefkoosde Nederlandse normen en waarden zichtbaar is, dan is het wel in de discussie over dit verbod op gezichtsbedekking. Het wetsvoorstel draagt bij aan een steeds breder gedragen anti-moslim tendens. Het is daarmee een bouwsteen van een almaar toenemende xenofobische politiek. De angst voor de ander dreigt nu door te dringen tot onze wetgeving.

Else Vogel en Lieke Wissink zijn verbonden aan de afdeling antropologie van de Universiteit van Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.