COLUMNEva Hoeke

Blijkbaar had ik weerbaarheid al die tijd verkeerd geïnterpreteerd

Beeld Aisha Zeijpveld

We keken naar de documentaire Epstein: Filthy Rich, een vierdelige serie over de Amerikaanse multimiljonair en zedendelinquent Jeffrey Epstein, die dankzij zijn gerieflijke positie en bijbehorende connecties dertig jaar lang min of meer ongestoord zijn gang kon gaan en zelfmoord pleegde op het moment dat hij toch nog gepakt werd – of vermoord, daar is het laatste woord nog niet over gesproken.

Tijdens het kijken betrapte ik mezelf op een oude reflex, waarvan ik dacht afscheid te hebben genomen na de #MeToo-beweging. Over de verhalen over hoe Epstein de jonge meiden misbruikte geen enkele twijfel, maar bij één van de volwassen vrouwen die aan het woord kwam dacht ik onwillekeurig: ja meid, wat dacht jíj dan dat je ging doen op een privé-eiland, vissen? Een lelijk staaltje blaming the victim, maar zoals dat gaat bij gedachten – ze zijn sneller dan de moraal.

Het staat u uiteraard vrij om in mij een Farizeeër te zien, maar er ís een verklaring. Zoals veel mensen van mijn generatie ben ik opgevoed met weerbaarheid als voornaamste zuil, pal naast liefde, eerlijkheid en zelf je broek kunnen ophouden. Dat betekende in de praktijk dat ik dagelijks acht kilometer door weer en wind naar school fietste, ’s nachts zelf naar huis kwam na het uitgaan en dat ik een paar jaar later liefdevol werd uitgezwaaid toen ik op kamers ging, veel plezier en er zit een stuk kaas tussen de schone was, succes. 

Die weerbaarheid ging gepaard met een eigen taal. Je bent niet van suiker. Een nacht goed slapen doet wonderen. Even huilen, kus d’r op, en weer door. Prima taal, op zich: weerbaarheid ís waardevol. Het zorgt ervoor dat je overeind blijft in zware tijden, dat je de dingen niet snel te persoonlijk maakt en je je hoofd erbij houdt wanneer je hart je heen en weer slingert (en goeie fietsbenen, toch mooi meegenomen). Maar weerbaarheid heeft ook een minder mooie kant: je herkent onrecht nog niet als het je vol in je gezicht raakt, en de hoge lat die ik als deugd verstond, legde ik niet alleen de ander op. Dat ondervond ik bij mijn eerste baan, waarin ik over mijn grenzen ging voor een pover loon in een onveilige omgeving. Ik ondervond het bij mijn bevalling, waarbij ik alles op eigen kracht deed en daarna drie weken in de prak lag. Eeuwig zonde, maar mij hoorde je niet: brand is erger. En ik ondervond het bij #MeToo, waarbij ik pas na lang, héél lang nadenken dacht: verdomd. Ik ook.

Zo werkt voortschrijdend inzicht dus: eerst vertel je iedereen inclusief jezelf jarenlang dat je niet moet zeuren, schouders eronder en niks van aantrekken, het was maar een geintje, en dan kom je erachter dat je het begrip weerbaarheid al die tijd verkeerd hebt geïnterpreteerd.

Hulde dus aan de nieuwe generatie, die dat beter heeft begrepen. Voor hen betekent weerbaarheid precies het tegenovergestelde van niet zeuren, namelijk júíst zeggen wanneer het genoeg is geweest. Of dat nou tegen een kerel is die aan je zit, tegen Zwarte Piet of tegen een compleet systeem dat erop rekent dat jij niet moeilijk zult doen. Niet jíj moet je wapenen, de ander moet de wapens laten zakken. Geen hand in eigen boezem, die ander moet van je boezem afblijven. En zo werd weerbaarheid in mijn hoofd langzaam het tegenovergestelde van je tanden op elkaar zetten. Het werd je mond open doen.

Mijn Dochter (4) doet dat goed, van mij heeft ze het niet.

‘Ik wil het kort’, zei ze toen de kapster onlangs voorstelde om het lekker lang te laten. ‘Anders ga ik naar huis.’ Ik wilde alweer excuses maken toen de kapster zei: ‘Heel goed meid, lekker voor jezelf opkomen. Wou dat ik dat jaren eerder had gedaan.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden