Column Harriët Duurvoort

Blijf mengen; arm, rijk, jong, oud, zwart, wit en alles er tussenin. Kunstmusea laten dat liggen

The black person is the protagonist in most of my paintings. I realized that I didn’t see many paintings with black people in them’, zei Jean Michel Basquiat ooit. Binnenkort is er een tentoonstelling over hem te zien in Heerlen. Prachtig.

Maar waar blijven het Stedelijk? Boijmans? Waarom is een van de invloedrijkste zwarte kunstenaars, die uitdrukkelijk zwarte mensen een hoofdrol toebedeelt in zijn werk, niet te zien in steden met grote zwarte gemeenschappen? Ik wed dat er vele tienduizenden zwarte Amsterdammers en Rotterdammers zijn die supergraag een tentoonstelling van Basquiat willen zien. Natuurlijk ook veel witte kunstliefhebbers, maar zwarte kunstliefhebbers hebben er iets meer mee. Juist omdat we een zo weinig divers aanbod in grote musea aantreffen.

Amsterdam en Rotterdam hebben kunstmusea van internationale allure. Alle debatten ten spijt bedienen ze nog altijd een overwegend wit publiek. De randstedelijke scholierenpopulatie is voor 60 tot 70 procent bicultureel. Ook voor de oudere generaties is diversiteit een wezenskenmerk. Kunst verheft, maar vooral ook kunst waarin je iets van je eigen achtergrond herkent, zeker in een samenleving waarin die achtergrond vaak negatief wordt geduid. En het wordt tijd dat kunstmusea daar op inspelen.

Ruim 10 jaar geleden maakte ik een kleine documentaire Een Bronx museum aan de Maas? over het New Yorkse Bronx Museum of the Arts, een kunstmuseum dat culturele diversiteit als artistiek vertrekpunt heeft. ‘Zou zoiets in Nederland ook werken?’ legde ik een aantal museumdirecteuren, kunstenaars en curatoren voor. Ik zelf vond het namelijk echt iets voor Rotterdam, de stad waar ik toen net woonde en die net wat meer open leek te staan voor vernieuwende en gedurfde culturele initiatieven dan Amsterdam.

Bronx Museum

Het Bronx Museum ligt in een uitgestrekt achterstandsgebied waar onze ‘krachtwijken’ vriendelijk bij afsteken. Een arme, door zwarten en latino’s gedomineerde immigrantenwijk, vol gangs, drugs maar ook vol creatieve energie. Toen de Bronx in de jaren zeventig grotendeels afbrandde, leidde dat tot de geboorte van een kunstvorm die wereldwijd het idioom werd voor generaties jongeren uit achterstandswijken: hiphop.

Kunst is belangrijk, ze kan prikkelen en verheffen, juist als je het niet van huis uit hebt meegekregen. Het kunsteducatieprogramma van The Bronx Museum weet de achterstandsjeugd zo doeltreffend te inspireren dat het Metropolitan Museum nauw met hen samenwerkt om New Yorks innercity jeugd te besmetten met een passie voor kunst.

Ik interviewde destijds ook Sjarel Ex, directeur van Boijmans Van Beuningen. Hij zag niets in een ‘apart’ museum en ook weinig in het aanpassen van programmering. Wel had hij bewondering voor het Rotterdamse hiphophuis en was hij verbaasd over het gemengde publiek dat daar kwam. Toen hij een paar maanden geleden meldde dat Boijmans een tijdelijke dependance in het winkelcentrum Zuidplein op het oog had, mailde ik hem om eens van gedachten te wisselen. Ik winkel er minstens twee keer per week; ik woon hier; dit deel van Rotterdam-Zuid is nog gemengder dan de Bronx. Vooralsnog liep ik een blauwtje.

Ik richt mijn pijlen daarom nu op Wim Pijbes, die de filantropische stichting Droom en Daad bestiert. Een fonds waarin geld, verdiend met de wereldhaven, wat mij betreft terug zou moeten vloeien naar inspirerende kunst en cultuurprojecten in een wereldstad, waarin iedereen een stukje van zichzelf zou moeten herkennen. Ik ben zo onbescheiden om mijn dromen op een rijtje te zetten. Een kunstmuseum met diversiteit als uitgangspunt lijkt me nog steeds relevant. Het kan en moet inclusiever maar ook spannender, mooier en actueler dan in die tientallen Nederlandse kunstmusea die zoveel van hetzelfde doen. Het mag best schuren, debat aangaan, dat maakt het alleen maar interessanter.

Ik droom van een markant pand. Op vooruitstrevende architectuur met eeuwigheidswaarde wordt in Rotterdam niet bespaard en terecht. Gedroomde architect: Sir David Adjaye, de gelauwerde Brits/Ghanees/ Tanzaniaanse architect die onder meer het African American Museum of History and Culture in Washington ontwierp, en nu het indrukwekkende nieuwe holocaustmonument in Londen.Toevallig sloot hij afgelopen november het Rotterdamse stadsmakerscongres af in een gesprek met burgemeester Aboutaleb.

Zijn boodschap: je moet blijven mengen. Arm, rijk, jong, oud, zwart, wit en alles er tussenin. Kunstmusea laten dat liggen. Een kunstmuseum waarin je diversiteit als uitgangspunt neemt zou een statement zijn.

Harriet Duurvoort is publicist. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden