ColumnEva Posthuma de Boer

Binnen wat ik nog mag, valt er nu eenmaal niet zoveel meer te moeten

Het leven door de ogen van de Posthuma de Boers – een foto uit het rijke naoorlogse archief van vader Eddy, met een tekst van dochter Eva.

‘Poepen moet je, de rest kun je vragen’, zei mijn oma tegen mijn vader en zijn broertje toen ze kind waren. Ik vraag me af waar ze zo dwingend om vroegen – het was oorlog in hun jeugd, wat wensten ze zich het vurigst? Mijn dochter moet nieuwe schoenen. Moet een nieuwe telefoon. Moet sushi. ‘Poepen moet je, de rest kun je vragen,’ antwoord ik dan uiteraard, want zulke gouden uitdrukkingen gaan van generatie op generatie. Net als ‘Zie ik eruit als malle pietje?’ en ‘Je tante’ (kort voor ‘Je tante op een houtvlot’), beide bijzonder doeltreffende repliek wanneer dochterlief vraagt om een Pradatas voor haar verjaardag, om een schildpad of ander huisdier waarvoor ze ondanks heilige beloften never nooit zelf zal zorgen, of om het bezoeken van een feest ergens in Amsterdam-Noord van ze-weet-niet-precies-wie en tot hoe laat. Schöne Grüsse, zeg ik dan. Ook een lekkere, bijvoorbeeld wanneer het kind geld voor de bus moet omdat het regent en ze dan echt niet gaat fietsen: ‘Je bent niet van gemalen poppenstront.’ Een combinatie van verschillende komt ook voor: ‘Schöne Grüsse, zie ik eruit als malle pietje, je bent niet van gemalen poppenstront!’

Ik moet wel bekennen dat ik mezelf evenzeer schuldig maak aan het (on)nodige moeten. Een maand geleden, in het pre-coronatijdperk, schreef ik op deze plek nog een column over het gevoel van moeten dat mij altijd zo opjoeg, hoe ik maar doorraasde op weg naar de rust waar ik eigenlijk naar verlangde. Zoals er al zoveel plotsklaps is veranderd door het virus, is dat hele gevoel bij mij ook weg. Binnen wat ik nog mag, valt er nu eenmaal niet zoveel meer te moeten. Wat me voor de vraag stelt: wat moet ik nou eigenlijk echt? Moet ik naar het tuincentrum om plantjes voor mijn dakterras te kopen? Moet ik naar de drogist voor wat extra paracetamol? ‘Poepen moet je, de rest kun je vragen’, zegt de minister-president in mijn hoofd. Maar ik moet even naar buiten, mijn huwelijk komt op me af, mijn puberkind maakt me gek, ik moet, ik moet hier weg. Dat wens ik me nu vurig. En nog vuriger wens ik dat het snel voorbij gaat. Dat ik niet doodga, maar vooral dat niemand die me lief is doodgaat. Want meer dan mijn eigen dood vrees ik die van mijn liefsten. Ja, dat wens ik me het vurigst, geloof ik, dat zij gespaard blijven. En dat ik naar buiten mag, gewoon weer naar buiten mag.

Mijn vader denkt terug aan de oorlog, in deze tijd, en ik voel me weer als toen ik 13 was en dit gedichtje schreef:

Als je moet wil je niet
Als je wil mag je niet
Als je kan moet het niet
Als het mag kan het niet

Amsterdam, 1957Beeld Eddy Posthuma de Boer
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden