Column HET SPEL EN DE KNIKKERS

Bij verdringing op de arbeidsmarkt tellen ook de kosten voor de gemeenschap

Frank Kalshoven

Nauwelijks, dat is het antwoord op de vraag of verdringing op de arbeidsmarkt een grote rol speelt. Zo schreven de kranten het op, deze week, en dat is een prima samenvatting van het rapport Verdringing op de Nederlandse arbeidsmarkt van een onderzoeksteam van het Centraal Planbureau en het Sociaal Cultureel Planbureau.

Het rapport is een waardevolle analyse, vooral omdat de onderzoekers ‘verdringing’, een vaak nogal losjes gebruikt begrip, vooraf strak definiëren. Maar juist bij hun definitie heb ik mijn bedenkingen.

Wat is verdringing? De onderzoekers zeggen: een toename van het arbeidsaanbod van groep A, heeft nadelige gevolgen voor groep B. Praktisch voorbeeld: de toename in Nederland van het aantal werkers uit Oost-Europa, heeft negatieve gevolgen voor laaggeschoolde Nederlanders. Deze negatieve gevolgen kunnen bestaan uit een kleinere kans op werk, of werk tegen slechtere arbeidsvoorwaarden. Als dit zich feitelijk voltrekt, dan is er sprake van verdringing. Zo niet, dan niet.

Zeer nuttig is dat de onderzoekers ook nog even expliciteren dat verdringing dus iets anders is dan concurrentie op de arbeidsmarkt of discriminatie; beide doen zich immers ook voor zonder dat er eerst een toename is in het arbeidsaanbod.

Met deze definitie gaan de onderzoekers aan het werk, en daar zit heel wat interessants tussen, met bovenstaande conclusie als gevolg.

Wat is mijn bezwaar? Of liever: wat is een betere definitie van verdringing op de arbeidsmarkt? Er moet een groep C worden toegevoegd. De definitie wordt dan: een toename van het arbeidsaanbod van groep A (Oost-Europeanen), heeft direct negatieve gevolgen voor groep B (vooral wat lager geschoolde Nederlanders) of indirect voor groep C. Groep C zijn wij met z’n allen, in onze hoedanigheid van belasting- en premiebetaler. Als laaggeschoolde Nederlanders een lagere baankans hebben door het extra aanbod van Oost-Europeanen, moet groep C de uitkeringen betalen.

Theoretisch zullen de onderzoekers van CPB en SCP hiertegen geen bezwaar maken, maar ze zullen misschien tegenwerpen dat dit praktisch niet zo relevant is. Als het met de verdringing (A verdringt B) wel meevalt is de schade voor C toch gering?

Dat is nog maar de vraag, vind ik. En het cruciale punt hierbij is de invloed van de toestroom van A op de voorkeuren van B.

De onderzoekers schrijven: ‘Als ingezetenen niet bereid zijn bepaalde werkzaamheden te verrichten, kan van verdringing door nieuwkomers geen sprake zijn.’ Niet in hun eigen definitie inderdaad, maar in mijn verbeterde versie wel. Want als en voor zover het gebrek aan ‘bereidheid’ dat werk te doen leidt tot uitkeringsafhankelijkheid, betaalt C de rekening.

Bepaalde werkzaamheden? Als bekend werken Midden- en Oost-Europeanen volop in de logistiek, industrie en de landbouwsector in Nederland. En dat doen ze massaal. De onderzoekers laten zien dat het totale aantal werknemers tussen 2005 en 2015 toenam met 432 duizend personen. Slechts 166 duizend hiervan hadden de Nederlandse nationaliteit.

In dezelfde periode steeg het aantal personen met een bijstandsuitkering van grofweg 300 duizend  naar een kleine 500 duizend. En het aantal WW-uitkeringen nam toe van 300 duizend naar 450 duizend. En het kan inderdaad zijn dat er bij betrokkenen geen ‘bereidheid’ was het werk te doen dat onze 268 duizend mede-Europeanen kwamen uitvoeren – maar deze afkeer van ‘Polenwerk’ is de gemeenschap dan wel duur komen te staan.

Ik zou zeggen: doe dat onderzoek nog een keer, maar dan met een betere definitie van verdringing.

Frank Kalshoven is directeur van De Argumentenfabriek. Reageren? Email: frank@argumentenfabriek.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.