Opinie

Bij het opleggen van forensische zorg moet het risico op recidive leidend zijn, en niet de stoornis

Gisteren en vandaag behandelt de Eerste Kamer het wetsvoorstel Forensische Zorg. Eén van de belangrijkste onderdelen is het verruimen van de mogelijkheden om verplichte behandeling (waaronder tbs) op te leggen aan verdachten die weigeren mee te werken aan onderzoek. Dit door ervoor te zorgen dat de rechter, bij weigering, inzage kan krijgen in informatie uit het verleden waarmee een mogelijke psychische stoornis vastgesteld kan worden.

Minister Sander Dekker (Rechtsbescherming) tijdens de behandeling van de Wet verplichte ggz (Wvggz). Wet zorg en dwang (WzD) en Wet forensische zorg (Wfz) door de Eerste Kamer. Foto anp

Het wetsvoorstel mist echter één belangrijk punt, waarvan ik hoop dat het in de Eerste Kamer ter sprake zal komen: een psychische stoornis is niet hetzelfde als recidivegevaar. Een verdachte kan een hoog recidiverisico hebben zonder dat hij lijdt aan een stoornis, en het recidiverisico kan ook bij aanwezigheid van een stoornis juist laag zijn. Zo staan bewezen risicofactoren voor het opnieuw plegen van zedendelicten als het niet kunnen aangaan van relaties of eenzaamheid los van psychische stoornissen. Onderzoek heeft aangetoond dat wanneer alle relevante risicofactoren in kaart zijn gebracht, het al dan niet meewegen van de eventuele psychische stoornis de voorspelling van de kans op een nieuw delict niet verbetert. Deze wetenschappelijke inzichten uit de laatste decennia zijn helaas nog niet vertaald naar de Nederlandse praktijk, waarin nog altijd een sterke nadruk op de psychische stoornis ligt. Ook deze nieuwe wet zal daarin geen verandering brengen.

Hoe groter de kans dat een verdachte later een nieuw delict zal plegen, hoe zwaarder de behandeling (en de beveiliging van de samenleving) moet zijn om dat delict te voorkomen. Dit klinkt logisch, en dat is het ook: dit principe is wetenschappelijk uitvoerig aangetoond. Uit recent onderzoek van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen naar het opleggen van behandeling aan zedendelinquenten bleek echter dat dit principe in Nederland niet voldoende wordt nageleefd: de samenhang tussen het risico op recidive van een verdachte en de zwaarte van de hem opgelegde forensische zorg was op zijn best zwak.

Deels had dit te maken met de nadruk die ons stelsel legt op een psychische stoornis: wanneer de psychiater of psycholoog geen stoornis kon diagnosticeren, onthield hij zich regelmatig geheel van een uitspraak over het recidiverisico en van een behandeladvies. Dit betekent dat verdachten met een hoog recidivegevaar maar geen (gediagnosticeerde) stoornis soms in het geheel géén forensische zorg opgelegd kregen.

De Nationaal Rapporteur heeft aanbevolen bij het opleggen van forensische zorg het risico op recidive leidend te laten zijn. Het doel van forensische zorg is immers de maatschappij te beschermen tegen nieuwe delicten, niet het genezen van stoornissen. Ik hoop dat de leden van de Eerste Kamer bij het bespreken van het wetsvoorstel met de minister dit doel voor ogen zullen houden. Opdat de personen die het grootste gevaar vormen passende forensische zorg krijgen opgelegd, of zij nu een stoornis hebben of niet.

Laura Menenti is onderzoeker bij de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen.