Opinie Pensioen

Bevriezing AOW-leeftijd op
66 jaar beperkt ongelijkheid onder ouderen

Verhoging van de AOW-leeftijd leidt tot meer werkloosheid en treft vooral kwetsbare ouderen, schrijft Harrie Verbon.

Aan het werk bij Seniorcall, callcentrum met medewerkers van 55+. Beeld Foto Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Werkgevers en werknemers willen de AOW-leeftijd op 66 jaar bevriezen, meldde de Volkskrant op 31 mei. Dat is potverteren, zo suggereerde Joost de Vries op dezelfde pagina van de krant in een analyse van dit akkoord, want het is twijfelachtig of er later voor jongeren nog geld in de pot zit. Die oud-jongtegenstelling, waar ook een politieke partij als GroenLinks al diverse malen op hamerde, is wat de AOW betreft een valse. Het gaat eerder om de tegenstelling tussen rijk en arm, of gezond en ongezond.

In Nederland heeft het Centraal Planbureau (CPB) al minstens een ­decennium met quasi-empirische ­berekeningen deze oud-jongtegenstelling in leven gehouden door te stellen dat zonder verhoging van de AOW-leeftijd de overheidsfinanciën in het algemeen en de AOW in het bijzonder op den duur onhoudbaar zou worden. Voor deze stelling kon het CPB geen deugdelijk bewijs leveren, en al evenmin voor de omgekeerde stelling dat een verhoging van de AOW-leeftijd tot positieve budgettaire effecten zou leiden.

Wat het laatste betreft, een groot deel van de positieve budgettaire effecten van een hogere AOW-leeftijd komt volgens het CPB door de toename van de werkgelegenheid van oudere werknemers. Het CPB ziet de arbeidsmarkt van oudere werk­nemers als een soort ouderwetse kaasmarkt waar de prijs van kaas (het loon van oudere werknemers) daalt als er meer kaas (ouderen) wordt aangevoerd. De verhoging van de AOW-leeftijd (en het afschaffen van VUT-­regelingen) heeft inderdaad geleid tot een hogere arbeidsdeelname van ouderen, maar vooral ook tot meer werkloosheid. Het percentage langdurig werklozen is spectaculair veel hoger onder ouderen dan onder jongeren. De verhoging van de AOW-leeftijd heeft dan ook geleid tot een toename van de werkloosheids- en bijstandsuitkeringen voor ouderen die een groot deel van de besparingen op de AOW-uitkeringen weer teniet doet.

Productiviteitsgroei

Het CPB valt ook een overschatting van de toename van de bruto AOW-uitgaven aan te rekenen. De ontwikkeling van de AOW-uitgaven hangt sterk samen met de aanpassing van de AOW-uitkeringen aan de productiviteitsgroei. De AOW-uitkeringen zijn in de afgelopen dertig jaar bij de productiviteitsgroei achtergebleven met als gevolg dat de bruto AOW-uitgaven een steeds kleiner beslag op het nationaal inkomen zijn gaan leggen, terwijl op grond van de demografische ontwikkeling een forse stijging verwacht had mogen worden. In de toekomst zal het niet veel anders zijn.

Een bevriezing van de AOW-leeftijd op 66 jaar, of liever een verlaging naar 65 jaar, zal de arbeidsmarktpositie van ouderen versterken. De snelle verhoging van de AOW-leeftijd heeft van oudere werknemers, in de ogen van werkgevers, een te grote kostenpost gemaakt. Werkgevers zijn daarom huiverig geworden om oudere werknemers in dienst te nemen. Dit is de verklaring voor de hoge langdurige werkloosheid onder oudere werknemers die we eerder signaleerden.

Behalve dat de arbeidsmarktpositie van oudere werknemers is verzwakt, heeft de hogere AOW-leeftijd ook geleid tot een groot rechtvaardigheidsprobleem onder oudere werkenden. De meest kwetsbare ouderen (vooral mensen met een laag inkomen en/of een slechte gezondheid), voor wie de AOW uiteindelijk vanaf de start van de AOW in de jaren vijftig van de vorige eeuw bedoeld was, worden het meest getroffen door de verhoging van de AOW-leeftijd.

Deze kwetsbare ouderen leven korter dan de mensen met een hoger inkomen, en beginnen relatief jong met werken. Voor de groep die Drees wilde beschermen met de AOW, wordt de AOW daarom veel minder waard dan voor de mensen die de AOW niet of minder nodig hebben.

Levensverwachting

Het is zelfs nog erger dan dat. Uit onderzoek blijkt dat mensen met een lagere levensverwachting inmiddels juist later met pensioen gaan dan mensen met een hogere levensverwachting.

Dat is niet gebaseerd op vrije keuze, maar omdat door het wegvallen van allerlei regelingen die zwakke en relatief ongezonde mensen beschermen, de financiële mogelijkheden voor deze mensen om zelf hun pensioenleeftijd te kiezen vrijwel verdwenen zijn. Mensen die het beter getroffen hebben in hun leven, kunnen dat wel, en gaan dus eerder met pensioen dan mensen die een pensioen op grond van hun gezondheid, hun levensverwachting en hun financiële situatie hard nodig hebben.

Kortom, de verdere stijging van de AOW-leeftijd zal geen pot met geld vullen. Wat de motieven van de werkgevers en werknemers ook moge zijn voor hun akkoord, een bevriezing of een daling van de AOW-leeftijd zal de groeiende ongelijkheid onder ouderen beperken. Dat is hard nodig en niet alleen nu, maar ook over veertig jaar, want ook dan zijn er weer arme en ongezonde ouderen. Dus ook voor sommige jongeren van nu zal een lage AOW-leeftijd belangrijk zijn.

Harrie Verbon is docent en oud-hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.