COLUMNSYLVIA WITTEMAN

‘Best te doen’ is zo’n beetje de hoogste lof die een boek onder tienerjongens ten deel kan vallen

‘Dit mogen we lezen voor de lijst’, zei mijn zoon. ‘Het is wel lekker dun. En een vriend van me zei dat het best te doen was.’ ‘Best te doen’ is zo’n beetje de hoogste lof die een boek onder tienerjongens ten deel kan vallen. Het boekje in kwestie bleek Jay McInerney’s Story of My Life.

Indertijd had ik het in een uurtje of drie uitgelezen. Indertijd, dat waren de late, postmoderne jaren tachtig. McInerney was beroemd geworden met zijn merkwaardigerwijs geheel in de tweede persoon enkelvoud geschreven Bright Lights, Big City, over de verlokkingen en valkuilen van het New Yorkse ‘life in the fast lane’ met veel drugs, drank en terloopse seks. (Jonge mensen die plotseling beroemd worden gaan zich vaak enorm aanstellen, zo ook McInerney. Hij zei in een interview eens dat hij van zijn favoriete wodka, Stolichnaya, overgestapt was op Absolut omdat hij ‘van Russische schrijvers gehoord had dat die zelf liever Scandinavische wodka drinken’. Wat een pretentieuze eikel.)

Bright Lights was een leuk boek, met veel zelfspot (‘Here you are again. All messed up and no place to go’), en aangespoord door het succes schreef McInerney nóg een boek over de New Yorkse club-incrowd, nu niet vanuit een jongeman, maar vanuit een 20-jarig, rijk, mooi, verwend voormalig paardenmeisje. Alison is naar de grote stad gekomen om actrice te worden, maar brengt vooral veel tijd door met coke snuiven, rondneuken, roddelen met haar al even narcistische kakelvriendinnen en het spelen van een spelletje dat indertijd als heel pikant gold: het beruchte ‘truth or dare’.

‘Acting is the first thing that’s made me get up in the morning. The first year I was in New York I didn’t do anything but guys and blow. Staying out all night at the Surf Club and Zulu, waking up at five in the afternoon with plugged sinuses and sticky hair. Some kind of white stuff in every opening. Story of my life.’

Het boek is een lange monoloog, geheel in het pop-idioom van dat soort meisjes in die tijd. ‘And I’m like, give me a break, Skip. This is nineteen eighty-whatever.’ Een soort Paris Hilton avant la lettre. Toen ik het boek voor het eerst las vond ik het heel levensecht en heel knap van McInerney dat hij zich zo had ingeleefd in iemand van het andere geslacht. Ook zag ik parallellen met The Catcher in the Rye en dat vond ik dan weer heel knap van mezélf.

Ik herlas het met een meewarige glimlach. Ach ja, toen was je ontzettend cool als je een antwoordapparaat had. En een creditcard. En zakken vol coke. En bij dit alles verveeld uit je ogen keek. Ach ja, en Alison leeft er uiteraard alleen maar zo heftig op los omdat ze Kwetsbaar is en een Groot Verdriet heeft. Dat heeft iets met haar vader te maken. En iets met haar dode lievelingspaard. En met de parelketting van haar oma. Arm, rijk meisje!

Wat een kitsch, eigenlijk. En niet zo levensecht, ook. De ijdele leeghoofdjes die McInerney neerzet zijn geen realistische 20-jarige meisjes, maar hard-boiled karikaturen, bedacht door een achterdochtige man die vreest dat vrouwen liefst niets anders doen dan denigrerend praten over de afmetingen van zijn geslacht.

‘Ja hoor, het is best te doen’, zei ik tegen mijn zoon. ‘Als tijdsbeeld, vooral. Maar als je iets uit de jaren tachtig wilt lezen dan kun je véél beter…’ Ik wilde aan een opsomming beginnen, maar die slikte ik, na een blik op zijn gezicht, snel in.

‘Best te doen’ is goed genoeg, en lekker dun is mooi meegenomen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden