column Ibtihal Jadib

Ben ik er al aan toe mijn zoontje in deze maatschappij te storten, vraagt Ibtihal zich af

Ibtihal Jadib . Beeld Valentina Vos

Mijn zoontje gaat deze week voor het eerst naar school. Met vier levensjaren achter de kiezen is hij kennelijk groot genoeg om in de vaart van een werkweek te stappen, voortaan mag hij alleen nog in het weekend lummelen. Ik had veel zin in het hele gebeuren aangezien ik vroeger dol was op school, maar mijn kind had vooralsnog andere ideeën want het begon vol overgave te huilen bij het woord ‘school’. Dat was niet de reactie waarop ik had gehoopt, maar misschien zou het helpen als hij wist waar ik het over had. Monter nam ik hem mee voor een wandeling naar het schoolplein terwijl ik een lieflijk plaatje schetste van de leuke klas waarin hij zou terechtkomen. Toen we bij het hek aankwamen bleek het net pauze te zijn waardoor het plein krioelde van wild springende, krijsende en rennende kinderen. Met grote ogen nam m’n zoontje het geheel in zich op, terwijl zijn knuistjes de tralies omklemden van het schoolhek. Nieuwsgierig keek hij naar een jongetje dat kwam aanlopen met een enorme tak in zijn handen. Het jongetje leek ongeveer even oud als mijn zoontje en ze begrepen onmiddellijk van elkaar dat het hier een prachtexemplaar van een tak betrof. Toen kwamen er twee oudere meisjes aangerend die bruusk de tak uit de handen van het jongetje rukten waarop hij onmiddellijk begon te huilen en te smeken of ze alsjeblieft zijn tak wilden teruggeven. Het grootste meisje was daarvan niet onder de indruk: resoluut smeet ze de tak over het hek waarna ze triomfantelijk wegliep. Mijn zoontje zette geschokt een stap achteruit, zo veel wreedheid had hij nog nooit gezien. Ik dook snel de struiken in, op zoek naar die vermaledijde tak die ik godzijdank nog terugvond ook en riep het huilende jongetje terug. Die weigerde te komen want hij had natuurlijk van zijn moeder geleerd dat hij niet mocht praten met rare wijven die aan het schoolhek met een halve boomstronk staan te zwaaien. Uiteindelijk gooide ik het ding maar terug over het hek waarop het jongetje ’m van de grond griste en snel weer van mij wegrende.

De hele weg terug naar huis moest ik mijn zoontje uitleggen waarom dat meisje zomaar gemeen was geweest. Shit, dacht ik ondertussen, over een paar weken moet ik mijn kind in die jungle loslaten! Mijn zoontje begint niet meer te huilen als we over school beginnen, maar inmiddels ben ik zelf een sentimentele trut geworden die zich afvraagt waartegen hij zich allemaal staande moet leren houden. Hele zogenaamd filosofische beschouwingen spoken door mijn hoofd, over hoe wij als maatschappij tere kinderzieltjes in het gareel rammen zodat zij kunnen meedoen in een samenleving die allesbehalve lief is. Waarin mensen een Sire-campagne nodig hebben om de hufterigheid aan te pakken. Ik weet niet of ik er al aan toe ben mijn kind in die samenleving te storten. Al was het alleen maar omdat hij zelf ook nogal onaangepast gedrag vertoont want mijn kind zit voortdurend met zijn hand in zijn broek te graaien. Soms doet hij zijn broek helemaal uit en gaat hij wijdbeens op de grond zitten om zijn piemel aan een nauwgezette studie te onderwerpen. Dat kan hij van niemand in ons huishouden hebben afgekeken, eerlijk waar. Als hij dat straks nou maar niet in de klas gaat doen.

ibtihal.jadib@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden