Balkenende vs. Opinio is een politiek proces

Met het proces tegen Opinio zet Balkenende zijn strategie van toegeven aan terroristen voort. Hij moet juist pal staan voor de rechtsstaat.

Premier Balkenende heeft aangegeven zijn juridische actie te willen voortzetten tegen het weekblad Opinio (Binnenland, 18 april). Een belangrijke reden lijkt dat men in het buitenland wel eens zou kunnen denken dat de gefingeerde redevoering, die aan de premier wordt toegeschreven, zijn ware opvattingen behelst.

Deze kwestie heeft tot nu toe geen aanleiding gegeven tot Kamervragen en dat is in zekere zin begrijpelijk, omdat een zaak die onder de rechter is niet van politiek commentaar moet worden voorzien. Anderzijds zitten aan deze zaak zo veel politieke aspecten dat we het procederen van Balkenende tegen Opinio ook kunnen zien als het voortzetten van de politieke strijd met juridische middelen. Die politieke strijd moet in een democratie gevoerd worden in het parlement en van kritisch commentaar worden voorzien in het publieke debat.

Wat is de inzet van deze politieke strijd? Die inzet is een verschil van mening over wat een adequate strategie is in de strijd tegen het religieuze terrorisme. Moet die strategie zijn: toegeven aan de wensen van terroristen in de hoop hen daarmee te apaiseren? Of moet de strategie zijn: pal gaan staan voor de eigen waarden van democratie, rechtsstaat en mensenrechten?

Uit tal van voorbeelden blijkt dat het kabinet-Balkenende (gesteund door een deel van de publieke opinie, evenals regeringsgezinde en monarchistische kringen) heeft ingezet op apaiseren. De meer recente voorbeelden daarvan zijn dat minister Hirsch Ballin van Justitie de 23-jarige voorzitter van het inmiddels ex-comité van ex-moslims aanraadt om géén tekenfilm te maken met een religiekritische strekking.

Een tweede voorbeeld is dat minister van staat Hans van den Broek de regering aanbeveelt het grondwettelijke censuurverbod (art. 7 van de Grondwet) te negeren en te proberen vooraf de uitzending van Fitna te verbieden.

Een derde manifestatie van deze houding is dat (inmiddels ex-) burgemeester van Den Haag Wim Deetman zich pal opstelt achter de beslissing van museumdirecteur Wim van Krimpen om de omstreden foto’s van Sooreh Hera niet te exposeren.

Reprimandes

Maar de officiële lijn is vroeg ingezet. Dat begon eigenlijk direct na 2 november 2004 (de moord op Theo van Gogh) toen de bestuurlijke en politieke elite de kwetsende schrijver zélf als de oorzaak aanwees voor de terroristische moord die op hem gepleegd was.

De vraag die de Tweede Kamer en de Nederlandse samenleving zich na bijna vijf jaar pacificatiebeleid eigenlijk zouden moeten stellen is: hoe effectief is dit geweest? Is het wel verstandig het gevoel voor humor in Nederland geheel te laten bepalen door de lange tenen van radicale geestelijken in het buitenland?

Raken die radicale geestelijken werkelijk gecharmeerd van een voortdurend ‘respect’ en ‘fatsoen’ mompelende premier die reprimandes uitdeelt aan het adres van polariserende kunstenaars en filmmakers? Of ontlenen die salafistische moefti’s juist hoop en verwachtingen aan het feit dat het kennelijk lukt de belangrijkste politicus van het land te laten dansen op het melodietje dat zij voorspelen?

Dat is de vraag die voorligt in het politieke proces dat de premier tegen Opinio heeft aangespannen. Wie denkt dat de pacificatiepolitiek heilzaam is, zal antwoorden dat ook Opinio maar het zwijgen moet worden opgelegd, net als gebeurd is met Hirsi Ali, Sooreh Hera, Ehsan Jami en anderen.

Gematigde geluiden

De pacificators vooronderstellen dat hun strategie heilzame effecten heeft gehad. Maar rekenen zij niet gunstige ontwikkelingen naar zich toe waarvoor anderen de credits zouden moeten krijgen? Hoe komt het dat uitgerekend na Fitna allerlei gematigde geluiden in het binnenland vernomen worden? Moeten we straks nog Geert Wilders gaan aanwijzen als de man die tegen alle verdrukking in de emancipatie heeft bevorderd? Dat zou toch wel pijnlijk zijn.

Maar als dat zo zou zijn, dan zou de Nederlandse premier drastisch zijn houding moeten veranderen. Dan zou hij niet langer meer moeten zeggen: ‘helaas kan ik deze film niet verbieden’. Maar: ‘ik ben daartoe absoluut niet bereid’. De Nederlandse premier zou een echte staatsman moeten worden. Als een hedendaagse Pericles zou hij moeten proclameren: ‘Wij leven in een democratie en wij zijn daar trots op. Denk niet dat u ons met geweld en intimidatie kunt dwingen onze vrijheden op te geven en onze democratie te vervangen door het soort van religieuze dictatuur waarin u zelf leeft en die u graag wereldwijd zou willen invoeren.’

Verkwanselen

De Nederlandse premier zou niet voortdurend de waarden van democratie en mensenrechten moeten verkwanselen in zijn vage toespraken doorspekt met ‘respect’ en ‘fatsoen’. Het belangrijkste fatsoen dat we tegenwoordig zouden moeten opbrengen, is de verdediging van de democratische rechtsorde, inclusief de mogelijkheid die dat met zich meebrengt dat sommige mensen dingen te zien, te horen en te lezen krijgen die hen niet bevallen.

Juist omdat onze regering daar zo slecht in slaagt, zouden wij wel eens de aandacht kunnen trekken van terroristen die verdraaid goed door hebben dat zij bij de Nederlandse regering een voet tussen de deur hebben gekregen. Als minister van staat Van den Broek zijn zin zou hebben gekregen, was art. 7 van de Grondwet (vrijheid van meningsuiting, inclusief verbod op censuur) geruisloos afgeschaft. Wat is het eigenlijk voor een advies van een minister van staat om de Nederlandse Grondwet af te schaffen? Komt dat niet neer op de uitverkoop van het land zelf?

Het is droevig dat de Nederlandse burger wordt gedwongen mee te betalen aan een proces dat neerkomt op het ondermijnen van onze burgerrechtelijke vrijheden. De kort gedingrechter stelde over het artikel waarin de opvattingen van Balkenende worden gepasticheerd: ‘Het artikel is overduidelijk een verzinsel dat op karikaturale wijze (het gebrek aan) polemiek omtrent het christendom en de islam aan de orde stelt en uitlokt.’

Nu weten we dat sommige haatzaaiende geestelijken niet houden van karikaturen en hun gevoel voor humor zeer beperkt is. Zij zijn ook bereid ons dat op hardhandige wijze duidelijk te maken. Maar de vraag is: moet een soevereine staat die gesteld is op zijn voortbestaan daarvoor wijken?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.