Column Dagboek

Autopech op een verlaten bergweg

Een berggebied in de Wakhan Corridor in Afghanistan Foto AFP

Afghanistan, 17 mei 1934

Dertig kilometer voor Kala Nao stootte de vooras tegen een oneffenheid. Er klonk enig geknars, en toen hield de motor ermee op. Daarop volgde een van die nare, rusteloze perioden waarin we morrelden en peuterden, de spoel vervingen, in de accu pisten en van alles probeerden. De motor weigerde ook maar één geluidje te maken.

Het was bijna avond, het land verlaten en dit deel van de route berucht om zijn struikrovers. Op dat moment kwam een baardige heer met een blauwe tulband, gezeten op een zwart paard, aangereden. Hij werd gevolgd door twee bedienden met geweren op hun zadelknop. Een van hen had ook een baard. Het gezicht van de ander was verborgen achter een sluier.

‘Wie zijn jullie’, vroeg de leider. ‘Ik weet wie deze heer is’, zei de ongesluierde volgeling, op mij wijzend. ‘Die is in Kala Nao geweest, van de winter, en daar toen ziek geworden. Is uw gezondheid nu beter, aga, door Gods genade?’

‘Gods genade heeft me beter gemaakt. Ik kan me jou ook herinneren. Je hebt me eten gebracht toen ik ziek was.’

Gerustgesteld door deze wederzijdse herkenning werden beide partijen wat toeschietelijker. ‘Mijn naam’, zo zei de man in de blauwe tulband, ‘is Hadji Lal Mohammad. Ik ben koopman in pistachenoten. Dit is geen geschikte weg om na het vallen van de duisternis te berijden; niet lang geleden is hier een man de keel afgesneden.’

We stegen op en de bewakers met hun geweren sprongen achter op ons paard. Het gesluierde raadsel sloeg zijn handen om mijn buik. ‘Wat vindt u van hem?’, vroeg Hadji Lal me. ‘Ik weet niet wat ik van iemand moet vinden als ik zijn gezicht niet kan zien.’ ‘Haha, hij is erg jong maar hij heeft al vijf man gedood. Wel wat jong voor zo’n aantal, vindt u ook niet?’

Robert Byron (1905-1941), Britse reisschrijver. Uit De weg naar Oxiana. Vertaling Tinke Davids. Atlas, 2007.