Opinie Arnon Grunberg

Arnon Grunberg over zijn allerlaatste voetnoot: 'ze was een veeleisende minnares'

De allerlaatste Voetnoot van Arnon Grunberg staat woensdag 16 mei op de voorpagina van deze krant. De schrijver neemt in dertien Voetnoten afscheid van zijn dagelijkse column. Om het af te leren, en opdat u even vooruit kunt.

Arnon Grunberg. Beeld Illustratie: Enkeling Gebaseerd op foto van: Stephan Vanfleteren

1)

In mijn eerste Voetnoot, nu zo’n ruim acht jaar geleden, schreef ik dat ik op de voorpagina van de Volkskrant voetnoten bij de menselijke komedie zou publiceren. Er is ongetwijfeld ook een komedie van dieren, maar als de mens over dieren gaat schrijven wordt het dier al snel een mens in vermomming. Het woord komedie is misschien merkwaardig. Kan nieuws, dat veelal tragisch is en dikwijls gaat over ontwikkelingen die als ongewenst worden ervaren, een voetnoot verdragen die het komische karakter van dat nieuws wenst te benadrukken?

Het komische sluit de ogen niet voor het tragische, het zet andere accenten.

Is dat geen ontheiliging? We moeten onderscheid kunnen maken tussen wat heilig en wat niet heilig is, tussen het alledaagse en het sacrale.

De Voetnoten probeerden te ontheiligen wat nooit heilig had moeten worden: het nieuws en onze eigen emoties.

Hierbij dertien Voetnoten om het af te leren.

2)

Mijn vriendin zei: ‘Kom ik nog eens voor in je Voetnoot vóór je ermee ophoudt?’

‘Ik doe mijn best,’ antwoordde ik. ‘Maar ik kan niets beloven.’

Ze lag in bed en wilde niet opstaan.

‘Weten de mensen,’ vroeg ze, ‘dat je me verwaarloost om die Voetnoten te schrijven? Dat je soms om 7 uur opstaat om er een te typen, en dat je om half twee nog niet in bed ligt, omdat je dacht dat je al moest beginnen met typen? Weten ze dat ik soms uren in bed op je lag te wachten, dat ik lag te slapen als je eindelijk kwam?’

‘Ik denk niet dat ze dat weten, maar gaat het ze wat aan? De Voetnoot was niet goed voor ons seksleven, ze was een veeleisende minnares. Nu ik ermee stop zal ik een andere minnares zoeken.’

‘Ja’, antwoordde ze, ‘dat moet je vooral doen.’

3)

In de loop der jaren ben ik steeds libertijnser geworden: alles is erop gericht mensen te verleiden sociaal wenselijk gedrag te vertonen. Soms gebeurt dat verleiden met zachte, soms met harde hand.

Het is een kenmerk van het totalitarisme dat het onwenselijke niet meer mag bestaan.

Ik ben er bijvoorbeeld voor dat ouders hun kinderen vaccineren, maar ik ben er faliekant tegen dat de staat dat met geweld gaat afdwingen. Het is een kwestie van beleefdheid om elkaar de hand te schudden, het is verspilling van energie en hartstocht om mensen te dwingen een vrouw de hand te schudden als ze daar geen zin in hebben.

Een misdrijf heeft een slachtoffer nodig. Bent u een slachtoffer als uw hand niet is geschud?

Het besnijden van jongetjes mogen we onprettig vinden, het verbieden zal nog veel onprettiger zijn.

Leer leven met het onwenselijke, niet al het onwenselijke, wel het meeste.

Het alternatief is dictatuur.

Arnon Grunberg: Hoe lang zal migratie nog modieus zijn? Een jaar of vijf schat ik. Beeld Sanne De Wilde

4)

Sinds Job Cohen mijn moeder bezocht, nu een jaar of vijf geleden, heb ik een zwak voor hem. Onlangs zat ik met hem aan een diner. Er waren veel mensen, en we zaten niet naast elkaar dus van een gesprek kwam het niet. Bovendien moesten de deelnemers aan dat diner met elkaar discussiëren. Het onderwerp was migratie. Het lijkt wel alsof we nergens anders over kunnen spreken.

Hoe lang zal migratie nog modieus zijn? Een jaar of vijf schat ik.

Ik hield een pleidooi voor onverschilligheid. Sommige dingen moet je blijven herhalen. ‘Tolerantie begint met onverschilligheid,’ zei ik. ‘Het is onmogelijk van migranten te houden, maar je kunt onverschillig staan tegenover hun komst. Dat helpt.’

Als rechtgeaarde sociaaldemocraat moest Job aanvankelijk niets van onverschilligheid hebben, maar later kwam hij naar me toe en zei: ‘Ik ga erover nadenken.’

Veel meer moet een schrijver niet verwachten, misschien ook niet willen.

5)

De moeder van een vriendin had een ingezonden brief geschreven. Hij ging over Baudet, ze verweet me onzedelijk denken. De brief werd geplaatst. ‘Ik geloof dat je moeder een ingezonden brief heeft geschreven,’ mailde ik de vriendin.

Moeder en dochter gingen met me eten om erover te praten. Ik had de dochter laten weten dat ik haar moeder ten huwelijk zou vragen; als je een taal leert in bed kun je daar ook iemand op andere politieke ideeën brengen. Wat is engagement zonder opoffering?

De moeder sprak over haar huwelijk, haar dochter, weinig over Baudet.

Ik gaf haar een ring. Ze lachte.

Later kreeg ik een mail waarin ze me bedankte voor het eten. Ze voegde eraan toe: ‘Mijn man zei: ‘Ik ben blij dat ik er niet bij was.’’

Ik had al gehoord dat hij zich doorgaans enorm opwond over mijn stukjes.

Die ring heeft ze nooit teruggegeven.

6)

Liefde geeft ons het gevoel intenser te leven. Haat, een andere vorm van liefde, doet hetzelfde met ons.

Liefde zoekt een object om zich op te richten. Het is aannemelijk dat de behoefte om lief te hebben, en om liefde te voelen, belangrijker is dan het object waarop de liefde zich richt.

Zo ook met haat. De behoefte om te haten is belangrijker dan het individu of de bevolkingsgroep waarop de haat zich richt. Men haat geen Joden, moslims, vrouwen, zwarten of witten omdat er objectieve redenen zijn die groepen te haten, maar omdat men behoefte heeft te haten. Later zoekt men redenen die de haat moeten rationaliseren: ‘Ik haat moslims omdat ze vrouwen onderdrukken.’

Zoals de verliefde het liefdesobject idealiseert, zo idealiseert de hater zijn ‘liefdesobject’, alleen is er dan sprake van negatieve idealisatie.

Als we geen groepen maar alleen individuen zouden haten, zou er veel gewonnen zijn.

7)

De filosoof Levinas – ik sprak zijn naam verkeerd uit merkte ik onlangs – meent dat de ander een beroep op ons doet. Ik kijk naar de ander, de ander kijkt terug; in zijn blik zit de oproep om hem niet te doden. Der Spiegel noemde Levinas ‘de mysticus van het sociale engagement.’

Ik ben er overigens voor de ander ook niet te doden als hij met zijn rug naar ons toestaat, maar een principieel pacifist ben ik niet, al was het maar omdat ik de ander die het beroep dat ik op hem doe niet erkent, geen monopolie wil verschaffen. Ik wil niet afhankelijk zijn van zijn genade, ik vertrouw er niet op dat wij dezelfde principes hanteren.

De vraag is hoeveel zelfverdediging wij nodig hebben; alle agressie wordt uiteindelijk voorgesteld als zelfverdediging.

Zo min mogelijk.

Van alle verslavingen waaraan de mens lijdt, is die aan zelfverdediging de meest fatale.

8)

We zijn slecht in kansberekening en statistiek maar dol op daderprofielen, vooral als het daderprofiel onze overtuiging lijkt te ondersteunen. Zakkenrollers komen uit Noord-Afrika, oplichters hebben haakneuzen (na de Tweede Wereldoorlog hoort men over dit daderpofiel weinig), verkrachters zijn mannen (erg waar, maar wat zegt het?).

Zelden tot nooit zijn terroristische aanslagen gepleegd door mannen of vrouwen van boven de 70, wat niet wil zeggen dat er een verband bestaat tussen de vermeende jeugd van de terroristen en hun daden. De meeste ‘jongeren’ zijn namelijk geen terroristen, dus waarom deze wel?

Is het opstellen van daderprofielen bedoeld om het misdrijf te voorkomen of om bepaalde groepen te stigmatiseren, uit te sluiten? Onderdrukking vermomd als misdaadbestrijding.

Het daderprofiel lijkt vooral bedoeld om diegenen die niet in dat profiel passen gerust te stellen: wij hebben het niet gedaan.

Zonder andermans zonde zou de mens zich van pure radeloosheid ophangen.

9)

Ik zat met mijn ex te eten toen ze zei: ‘Ik ben in oktober gestopt met roken.’

‘Ik wist niet dat je rookte’, antwoordde ik. ‘Ja, je rookte als we ruzie hadden, maar verder toch niet?’

‘Ik rookte stiekem’, antwoordde ze. ‘En voordat ik naar jou ging spoot ik parfum op mijn handen en ik nam een kauwgumpje. Je hoeft niet alles te weten.’

‘Nee, dat is waar, maar vreemdgaan met een sigaret? Je had er niet over hoeven te liegen, ik zou het daarom niet hebben uitgemaakt.’

Ze schoof het bord met eten van zich af. ‘Te veel’, zei ze.

‘Maar je bent wel vegetariër, of at je stiekem ook vlees als ik er niet was?’

‘Nee, ik was wel echt vegetariër’, zei ze, ‘daarover heb ik niet gelogen.’

We liepen het restaurant uit. ‘Ik ga binnenkort weer sporten’, zei ze. ‘Dat niet-roken is niet goed voor je.’

10)

Het is merkwaardig dat er heilige boeken zijn maar geen heilige films. Nu heeft het woord een kracht die het beeld misschien mist, te weten: een combinatie van precisie en ambiguïteit, maar tegelijkertijd wordt al lang beweerd dat we in een beeldtijdperk leven. Goed, de kerk en andere religieuze instellingen maken soms gebruik van dvd’s en filmpjes om hun boodschap kracht bij te zetten, maar het heilige boek is nog niet aan vervanging toe. Ja, we hebben de kinderbijbel, maar veel verder dan dat gaan we niet.

Als heilige film zou ik willen nomineren Sunset Boulevard van Billy Wilder: roem en ouderdom, verval en ambitie, jeugd en geld, noodlot en redding. Alle kurken waarop onze samenleving drijft worden keurig en definitief behandeld in deze film. Ook is er een butler, een geweldige rol van de mysterieuze Erich von Stroheim.

Wij verlangen naar personeel en vrezen het in gelijke mate.

11)

Mijn moeder is ruim drie jaar dood, mijn vader langer dan vijfentwintig jaar. Mensen die ooit belangrijk voor me waren, Ewa Mehl en Jolanta Zalewska, zijn twintig jaar dood. Een ander, Hans Dorff, is recentelijk gestorven. Een tijd ben ik intensief omgegaan met Wim Brands, maar lang vóór hij stierf was ik het contact met hem verloren.

In Bonn woonde een dame die model heeft gestaan voor een personage in mijn roman De asielzoeker. Ze stierf aan kanker en ze had de gewoonte de taxicentrale te bellen en te zeggen: ‘Met Angela Merkel.’

In 1998, toen ik het Boekenweekgeschenk had geschreven, liet Anke Babois in Groningen haar beha signeren. We hadden een korte affaire. Later kwam ik erachter dat ze bij een auto-ongeluk was gestorven. Ze was toen zwanger.

Soms herinner ik me de doden alsof ze leven. Vaker denk ik aan de levenden alsof ze al dood zijn.

12)

Regelmatig is aan me gevraagd: ‘Heb je macht?’ Aan iemand die alleen romans schrijft, wordt een dergelijke vraag nooit gesteld: men weet dat hij geen macht heeft, hoewel men tegelijkertijd beseft dat schrijvers levensgevaarlijk zijn.

‘Geen enkele macht’ zou een arrogant antwoord zijn geweest. Maar hoeveel dan? Macht in homeopathische doseringen. De bijwerkingen waren minimaal; we mogen niet uitsluiten dat iemand er baat bij heeft gehad.

En baat is als het om teksten gaat, om kunst, heikel. Voor je het weet vragen ze: ‘Wat heb je eraan?’

Wat heb je aan leven?

Eén keer noemde de heer Wilders de Voetnoot in een tweet. Een mooi moment. Nu wacht ik op een uitnodiging voor thee. Meer nog dan acht jaar geleden ben ik ervan overtuigd dat je met iedereen moet praten, vooral ook met monsters.

Men vreest het monster, omdat men zoveel van zichzelf in het monster herkent.

13)

Ik zat met mijn petekind en zijn moeder te dineren. Het gesprek ging over de toekomst, mijn petekind is 13 – hij heeft toekomst.

‘Ik wil veel geld verdienen’, zei hij.

Ik sprak hem tegen, gebruikte gemeenplaatsen over dromen. Hij trilde met zijn rechterbeen, wat hij doet als hij stress heeft. Tot ik zei: ‘Als jij geld belangrijk vindt, prima.’

Later bedacht ik dat ik het anders had willen zeggen.

Toen ik 18 was en toch geen theaterwetenschappen ging studeren zei Paul Cobben tegen me: ‘De ideale omstandigheden tref je niet aan, die maak je.’

Lang heb ik dat als een wijsheid beschouwd die ik niet wilde erkennen. Nu ben ik genuanceerder.

De mens migreert van omstandigheid naar omstandigheid. Hij heeft een beetje invloed op de omstandigheden, maar niet veel.

Vaak lijken de omstandigheden elders beter. Soms is dat zo, soms niet.

Maar ze zijn anders, en dat is voldoende.

Voetnoten voor Arnon

Woensdag 16 mei stopt Arnon Grunberg na 2.500 afleveringen met zijn dagelijkse Voetnoot. Zwaai de columnist met uw eigen Voetnoot uit en maak kans op publicatie in de Volkskrant. Om u op weg te helpen selecteerde Arnon Grunberg zijn tien favoriete bijdragen en stelde hij de zeven basisregels van een goede Voetnoot op.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.