Interview De Kloof

Architect Sjoerd Soeters over de woningbouw: ‘Hou op met dat stapelen in torenflats’

De tegenstellingen in Nederland openbaren zich in tal van geledingen. Waar ligt de oorsprong en waartoe zat het leiden? Aflevering 5 in een serie: architect Sjoerd Soeters.

Portret van Sjoerd Soeters. Beeld Kiki Groot

Stedebouwkundig architect Sjoerd Soeters (71) is boos. ‘Ik zie in de grote steden dure en exclusieve woontorens gebouwd worden, terwijl voor de gewone gezinnen in de stad geen plaats meer is. Hier ontstaat geen maatschappelijke kloof, de segregatie wordt áángelegd. En dat komt omdat er een kloof is tussen wat stadsontwikkelaars – politici, projectontwikkelaars, architecten – voor mensen bedenken, en hoe die mensen zelf graag zouden willen wonen.’

Als in Amsterdam gevestigd architect windt Soeters zich vooral op over de plannen voor de Sluisbuurt op Zeeburgereiland, waar ruim 5.500 nieuwe woningen komen, waarvan een aantal in woontorens van ruim 100 meter hoog: Vancouver aan het IJ. ‘Het maakt me razend.’

Soeters, sinds 1979 gevestigd als architect, met kompaan Joep Mollink op bureau PPHP, Pleasant Places Happy People, bekend van het opgeknapte centrum (‘de Zaanse huisjes’) in Zaanstad en het populaire Java-eiland in de hoofdstad. Geen man die met iconische ontwerpen de show steelt, zoals de starchitect, een term die mede door opstomend politicus Thierry Baudet gretig ingang vond in de publieke opinie, maar, erkent hij lachend, wel eens de ‘André Rieu van de architectuur’ wordt genoemd. Behulpzaam: ‘En populistenarchitect.’

Sneren en schelden, dat kunnen ze onder architecten. Noemt de één het balkon van de ander prutswerk, krijgt de ander zijn armoedige steenkeuze terug. Maar Soeters’ woede betreft niet een collega of stijl, de bouwplannen gaan hem aan het sociaal-democratische stadshart.

Waarom bent u daar zo boos over?

‘Omdat mensen niet in torens willen wonen. Ja, well-to-do-senioren, jonge tweeverdieners, de elite, die geniet graag op grote hoogte van een weids uitzicht. Maar gezinnen willen op of dicht bij de grond wonen, omdat kinderen zich beter ontwikkelen als ze buiten spelen en het fijn en veilig is als ouders en buren een oogje in het zeil kunnen houden. Ik ben boos omdat het bij exclusieve woontorens beneden slecht toeven is, met de schaduw die ze geven aan andere gebouwen, de wind eromheen die van straten tochtgaten maakt, kortom, omdat ze precies níét het leefmilieu bieden waar men naar op zoek is. En het ergste is: het is niet nodig.’

Als er sprake is van een woonkloof in Nederland, loopt die dan simpel langs fraaie woontorens voor de rijken, saaie flats voor de laagst-betaalden en puntdakhuizen in suburbia voor de middenklasse?

‘Met een woontoren met de elite boven en de loonslaven beneden wel, ja. Maar natuurlijk ligt het complexer. Er zijn in Europa ook woontorens voor sociaal zwakkeren gebouwd, maar als gevolg van slechte materialen en gebrekkig onderhoud worden die in Engeland en Frankrijk alweer opgeblazen. Wat me het meest steekt, is dat er niet wordt nagedacht over hoe mensen willen wonen. Na een woonexperiment hoor je nooit meer wat we ervan hebben geleerd. Het failliet van de Bijlmer is een collectief hoogbouwtrauma, maar heeft iemand daar ooit de nacalculatie van gedaan? Dat is me een dure grap geweest!

Het gaat mij er niet om dat er nergens een (toren)flat mag komen, want iedereen een huis met tuin lukt niet. Maar hou het Amsterdams, dus laag. Waarom naar Canada als je een prima woningbouwtraditie hebt waarin mensen zich gelukkig voelen? Een varkensflat vinden we schande, maar mensen opstapelen in steeds kleinere woonunits, niet. En maar kraaien dat we met skyscrapers écht meedoen op het internationale speelveld. Onzin.’

Wethouders zeggen: we moeten verdichten om grond te sparen. Geld van projectontwikkelaars is nodig, voor openbaar vervoer en bibliotheek.

‘Dat voor de nieuwe woningen grondbesparende ‘verdichting’ nodig is, oké. Dús woontorens? Da’s onzin. Dat is mode in grote steden en vooral profileringsdrang: kijk mij, nog hoger! Ik heb voor de Sluisbuurt een alternatief plan ingediend, waarmee ik evenveel vierkante meters creëer, niet hoger bouw dan vijf tot zeven lagen, en een noordelijk randje van 15 lagen met uitzicht op de sluizen. En alles voor minder geld dan het voorliggende Vancouverplan. Het kan wél anders.

Het verbijstert me dat de Sluisbuurt vooral en alleen een politieke deal is, want praktisch nauwelijks uitvoerbaar. De VVD-wethouder wilde dolgraag dat projectontwikkelaars aan het ‘Vancouver van de vrije markt’ begonnen; de SP zei: prima, maar dan wel 40 procent sociale huur en 35 procent voor de middeninkomens. Klinkt sociaal, maar welke ontwikkelaar kan genoeg verdienen met die resterende 25 procent woningen in het topsegment? Want in hoogbouw zijn niet alleen de stichtingskosten, maar ook de servicekosten zó hoog dat die verpleegkundige en agent van de SP ze niet kunnen opbrengen. Op die manier is dit plan dus politiek bedrog.’

Een stad heeft iconen nodig, dan wordt ze interessant, willen mensen er zijn, ontstaat er welvaart en dynamiek. Spannende hoogbouw waarin hoogopgeleide mensen wonen, is goed voor de economie, voor de stad.

‘Rotterdam, waar het gemiddeld inkomen een stuk lager ligt, wil met luxe woontorens hoogopgeleide tweeverdieners voor de stad behouden, dat snap ik. Elke stad heeft haar eigen opgave. Maar dat ze in Utrecht jaren-dertigwoningen tegenover het Centraal Station neerhalen voor hoogbouw waar je op het dák in een park kunt ­lopen, schei toch uit! Idem voor het verticale dorp MARK met woontorens tot 150 meter in Leidsche Rijn.’

Tussen woonwensen en architecten gaapt een kloof, maar bouwen vóór en niet mét het volk, kent een lange traditie. Logisch: mijn ideale balkon zie ik voor me, een toekomstig stadsdeel niet.

‘Tussen burger en architect zitten vele instanties die meebepalen hoe een stedebouwkundig ontwerp er gaat uitzien. Maar in de kern is het probleem dat de architectuur van ambachtelijkheid naar abstracte esthetiek is overgestapt. Iedere student leert nu nog een klapper te ontwerpen, terwijl: het gaat bij stedebouw voor mij niet om mooi of lelijk, maar of je er aangenaam kunt leven, veilig, niet op elkaars lip, wel met elkaar. Mensen in de toekomst zijn niet opeens anders dan die van nu. Ze willen architectuur ‘lezen’, dus een voordeur kunnen aanwijzen of hun etage: kijk, dáár woon ik. Ze zoeken een biotoop die bij hun levensfase past. Gezinnen maken nog altijd de helft van de woningzoekenden uit. Ik snap dat een architectenjury zijn neus ophaalt voor Zaanstad, mij gaat het erom dat het centrum is gered en men er prettig leeft. Populair, populistisch, sociaal-democratisch? Maakt mij niet uit.’

Eerdere afleveringen in De Kloof

Geograaf Josse de Voogd over de culturele tegenstellingen in Nederland: ‘De proteststem woont in suburbia’

Psycholoog Carsten de Dreu over polarisatie in de samenleving: ‘Biologie en cultuur beïnvloeden elkaar’

Burgemeester Ahmed Aboutaleb over zijn stad Rotterdam: ‘Polarisatie en populisme hoeven niet per definitie slecht te zijn’

RAI-voorzitter Steven van Eijck over mobiliteit: ‘Bezit maakt plaats voor gebruik, wen er maar aan’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden