Annebregt Dijkman: 'We experimenteren met mensenlevens'

Radicalisering is complex en laat zich niet inkaderen in beleidstaken en werkperspectieven

Een 'integrale aanpak' tegen jihadisme blijft experimenteren met mensenlevens, zegt Annebregt Dijkman, zolang de betrokkenen elkaars emoties en dilemma's niet begrijpen. Onderzoek dus ook hóé je samen al die puzzelstukjes legt.

Foto Lennart Gäbel

Al voor de moord op Theo van Gogh wilde de toenmalige burgemeester van Amsterdam 'de boel bij elkaar houden', maar na die markerende novemberdag in 2004 leken die woorden synoniem te worden voor het beleid van de gemeente om radicalisering aan te pakken. Burgemeester Job Cohen wilde praten met álle Amsterdammers, zoals hij dat drie jaar eerder na de aanslagen van 11 september ook had gedaan. Zijn toenmalige wethouder, Ahmed Aboutaleb, sloeg een andere toon aan. Hij hield de bevolking de morele plicht voor radicalisering te melden bij de overheid.

Die oproep klonk simpel, er gehoor aan geven was dat niet. In alle eenzaamheid ervoer ik een duivels dilemma.

In die periode brak ik mijn hoofd en hart over de veranderingen bij mijn partner, die me in het oog van de orkaan toevertrouwde dat hij op gewapende jihad wilde gaan. Niet Syrië, maar Afghanistan was toen het toneel voor de geopolitieke en ideologische strijd. Een lonkend podium voor zijn persoonlijke verscheurdheid, die gegroeid was op Hollandse bodem. De boel bleef niet bij elkaar. Wij ook niet.

Inmiddels zijn we vijftien jaar pionieren met antiradicaliseringsbeleid verder en heeft mijn professionele leven mijn persoonlijke leven allang ingehaald. Als zelfstandig adviseur en onderzoeker werk ik op het gebied van radicalisering. Meer recent ondersteunde ik gezinnen waarvan een of meer leden zijn uitgereisd naar jihadistisch strijdgebied. In de ergste gevallen gaan de kinderen - en kleinkinderen - in deze gezinnen dood, maken deze kinderen anderen dood of hebben ze de intentie dat te doen en steunen ze mensen die soortelijke plannen hebben.

Deze dreiging voelen niet alleen de achtergebleven gezinnen, maar ook de mensen die rond deze families werken. Er staat veel op het spel. Als de aanpak 'faalt', kan iemand opnieuw uitreizen - zijn of haar dood tegemoet - of een aanslag plegen waarbij anderen mogelijk doodgaan. Natuurlijk hopen de families dat hun kinderen blijven leven. Ze willen de boel bij elkaar houden.

Getalsmatig is het fenomeen jihadistische radicalisering klein, maar de maatschappelijke impact is groot. Dat is niet de enige tegenstelling. In Nederland kiezen we voor een brede contrastrategie om radicalisering te voorkomen en te bestrijden, maar eigenlijk is het werk dat om specialismen vraagt. En om het nog ingewikkelder te maken: het is de rijksoverheid die in het actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme de problemen definieert, coördineert en faciliteert, maar de gemeente die verantwoordelijk is voor de lokale uitvoering daarvan.

Dertien jaar na de moord op Van Gogh is de gemeente Amsterdam in het nieuws vanwege het lokale anti-radicaliseringsbeleid zelf. Een ambtenaar met strafontslag, een verwarrende discussie over een online overheidscampagne, een gesloten werkcultuur, vermeende integriteitschendingen, twijfels over de veiligheid van de stad, afhakende sleutelfiguren, politieke ongenoegens over het inzetten van ex-geradicaliseerden en een taskforce die het publieke vertrouwen in het beleid moet herstellen.

Maar hoe ziet de praktijk van het beleid eruit?

Tijdens een training over jihadistische-radicalisering leg ik een groep plaatselijke professionals de fictieve casus F voor. Het gaat om een gezin met een alleenstaande moeder, dubbele Europese nationaliteit (radicalisering is blind voor afkomst) en drie kinderen. Twee meisjes (14 en 6 jaar) en een jongen (net 18). De jongen heeft een poging gedaan om uit te reizen naar een jihadistisch strijdgebied en is aangehouden in Turkije. Onduidelijk is of hij echt in een strijdgebied is geweest. Hij zit vast in Nederland, op een terroristische gevangenisafdeling.

De deelnemers aan de training zijn een wijkagent, een jongerenwerker, een leerkracht, een openbare orde- en veiligheidsambtenaar, een beleidsadviseur, een gezinscoach, een wijkteamlid, een gezinsvoogd, een maatschappelijk werker en een casusregisseur. Ze gaan in tweetallen aan de slag. Ze moeten bepalen hoe ze radicalisering en de daarmee samenhangende risico's in het gezin inschatten, en wat ze op basis daarvan gaan doen.

Foto Lennart Gabel

Het eerste tweetal is stellig: niks aan de hand, de jongen zit vast. Sommige deelnemers knikken, anderen fronsen hun wenkbrauwen. Pas aan het einde ontstaat openlijke verwarring. Ik moedig die aan. De wijkagent ziet op dit moment geen probleem, de leerkracht ook niet, maar de beleidsadviseur wel. 'Zie je dan niet dat ook de oudste dochter woorden gebruikt die wijzen op een jihadistische ideologie? De gezinscoach knikt. 'Bovendien is ze uitgenodigd voor een jihadistische Telegram-netwerkgroep, door een vriend van haar broer.'

De chaos is compleet. 'Dat heb ik niet gelezen', zegt de leerkracht. 'Je hebt ons denk ik per ongeluk een verkeerde casus gegeven', zegt de casusregisseur. 'O, wat vreemd', zeg ik, 'we hebben het toch over casus F?' De groep twijfelt. Ze proberen het nog eens. Het kwartje valt. 'We hebben wel dezelfde casus, maar niet dezelfde informatie.' Dat klopt. Niet alleen het professionele perspectief is bepalend voor hoe dit gezin bekeken wordt, dat geldt ook voor 'de informatiepositie'. Of beter: een gebrek daaraan.

Dit is de realiteit van het werkveld.

Stel dat casus F bestaat, en we er van uitgaan dat de tien mensen in de training betrokken zijn bij het gezin. Wie zitten er dan niet hier aan tafel, maar bemoeien zich in de praktijk meestal ook nog in meer of mindere mate met het gezin? Dat zijn: de psycholoog voor de moeder (waarschijnlijk na maanden wachten). De terroristenafdeling waar de zoon verblijft. Een familieondersteuner (zoals ik zelf was). De huisarts voor de doorverwijzing en de inmiddels lichamelijke klachten van moeder. De burgemeester die bij het gezin komt praten over wat er is gebeurd, en over de onrust daarover in de buurt. De advocaat van de zoon. De Raad voor de Kinderbescherming en een gezinsvoogd voor een mogelijke OTS (ondertoezichtstelling) van de dochters. Maar ook: de officier van justitie die de zaak van de zoon voorbereidt. De rechter. De analist van de geheime dienst (AIVD). De accounthouder van de Nationaal Coördinator Terrorisme en Veiligheid (NCTV). De Koninklijke Marechaussee voor de begeleiding van de terugkeer van de zoon en de Nederlandse Reclassering.

En dan zijn er nog allerlei secundaire betrokkenen: leden van de Tweede Kamer en de lokale politicus. De ministers van Justitie en van Sociale Zaken. De moskee waar moeder kwam, maar waar ze niet meer durft te komen na een politie-inval thuis. De ministeries van Buitenlandse Zaken, van Onderwijs en van Volksgezondheid. Tot slot: lotgenoten, jihadistische netwerken, een buitenlandse geheime dienst, ex-schoonfamilie. De premier die in campagneretoriek uitroept dat Syriëgangers beter daar ter plaatste kunnen sneuvelen. De wetenschapper die wil horen welke mogelijke rol de familie zelf bij de radicalisering van de zoon speelde, en de journalist die de vorderingen rond de rechtszaak wil optekenen.

Moeder heeft inmiddels haar naambordje op de deur verwijderd.

Radicalisering is een wicked problem, een complex fenomeen dat zich niet laat inkaderen in beleidstaken en werkperspectieven. We zoeken houvast bij labels: een Syriëganger is een crimineel, of een Syriëganger is labiel, vergelijkbaar met loverboyslachtoffers. Maar door de olifant op te delen krijg je geen kleine olifantjes. We weten niet goed waar we moeten beginnen, waar te stoppen en hoe radicalisering echt in elkaar zit. Waarom de één wel en de ander niet?

Vervolgens is ook het werken op het terrein van radicalisering complex, zoals de hoeveelheid mensen, belangen en perspectieven in de casus laten zien.

Bovendien hebben betrokken organisaties een eigen dynamiek met reorganisaties, transities, wettelijke bevoegdheden et cetera, die het maken van een standaardprocedure of methode doorkruisen. Neem de zorgorganisatie die transparante hulpverlening wil aanbieden, maar worstelt met vertrouwelijke dossiervorming.

Ook kan een professional of organisatie die succesvol is in een deeltaak dat soms niet zijn in de gehele aanpak, terwijl ze daarop wel wordt afgerekend. De maatschappelijk werker zorgt bijvoorbeeld dat moeder naar de traumapsycholoog kan, waarna zij weer emotioneel beschikbaar is voor haar kinderen. Maar die maatschappelijk werker begeleidt niet de dochter, die op social media benaderd wordt door een jihadistische lobbygroep voor gedetineerden op de terroristenafdeling in de gevangenis.

Ondanks de beoogde samenwerking in de integrale aanpak hebben niet alle organisaties en professionals van die deelgebieden kennis van en inzicht in het geheel aan informatie. Het zorgt voor een fnuikend onderling wantrouwen - alleen de staart van de olifant zien en tegelijk weten dat hij er helemaal is, geeft vreselijke onzekerheid.

Juist wicked problems zijn gebaat bij onderzoek en reflectie. Hoe komt het dan dat we wel het fenomeen radicalisering onderzoeken, maar nauwelijks het werkveld ervan of de professionals? Daardoor missen we bijvoorbeeld hoe beleid en interventies tot stand komen, welke ethische dilemma's in het werken mét en onderzoeken ván radicalisering ontstaan. Misschien hollen we de rechtsstaat wel uit door de inbreng van persoonlijke beleidsopvattingen (waarvan openbaarmaking niet afdwingbaar is, zeggen juristen ). Of door particuliere ideeën over de islam en moslims bij risicotaxaties.

Waarom sturen we professionals zonder trauma-expertise naar gezinnen waar verdriet en de (dreigende) dood levensgroot op de bank zitten? Is er voldoende tijd voor collegiaal overleg, of is er sprake van professionele verwaarlozing - met burn-out en ptss tot gevolg? Zijn professionals zich ervan bewust dat ze anderen benaderen met een eigen bril op? Dat je als niet-moslimprofessional roert in gemeenschappen die niet per se de jouwe zijn, en dat je de gevolgen daarvan niet direct zelf ondervindt? Wat heeft dat voor invloed op het werken met gezinnen waarin de digitale armen van jihadistische netwerken hengelen naar nieuwe rekruten? Naar broers en zussen, achtergebleven in de brokstukken van thuis? Kortom: zorgen we wel voor veiligheid?

Echt weten doen we het niet. Maar mensenlevens zijn te kostbaar om mee te experimenteren. Ook met goede intenties kun je heel hard de verkeerde kant op rennen.

In de tijd dat mijn thuis uiteenscheurde, was er geen integrale aanpak, maar waren er wel vrienden die me hielpen. Vrienden die persoonlijk en professioneel bekend waren met mijn zorgen, aan wie ik mijn dilemma's kon toetsen. Ze gingen naast me staan en dat was mijn geluk. Die ervaring heb ik in mijn werk teruggeven aan andere families - en dat werkte.

Zoals altijd biedt een crisis ook kansen. De gemeente Amsterdam heeft nu de mogelijkheid het voortouw te nemen bij een integrale aanpak, waarin professionals reflecteren op het samen werken in het veld, zodat er een zorgvuldig en toetsbaar antiradicaliseringbeleid ontstaat. Waarin ook ruimte is voor het persoonlijke, om te voorkomen dat broertjes en zusjes vermorzeld raken tussen goede bedoelingen en we over tien jaar weer naast die dreigende dood - maar dan in een andere vorm - op de bank zitten. Het fenomeen radicalisering is universeel en blijvend, maar voor experimenteren met mensenlevens betalen we uiteindelijk altijd een gezamenlijke prijs.