EssayLand van afkomst

Altijd weer die vraag: nee, waar kom je écht vandaan?

Hoe is het om anno 2020 in Nederland te leven als je roots ergens anders liggen? We vroegen schrijver Robert Vuijsje wat hij geleerd heeft van zijn ‘Land van afkomst’-interviews.

Demonstranten in de Bijlmer herdenken George Floyd en protesteren tegen racisme. 	 Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant
Demonstranten in de Bijlmer herdenken George Floyd en protesteren tegen racisme.Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Voor de Volkskrant interview ik al ruim vijf jaar bekende en minder bekende Nederlanders die hun roots hebben in een ander land – van Marokko tot China, van de Antillen tot Nigeria – over wat dit voor hen betekent. Daarbij vallen me vooral de volgende vier zaken op:

1. Geen andere keuze dan jezelf de vraag stellen: hoe verhoud ik me tot dit onderwerp?

De centrale vraag in ‘Land van afkomst’ luidt: welke rol speelt afkomst in uw leven? Grof gezegd, aan de ene kant van het spectrum vinden we antiracisme­activisten over wie je zou kunnen denken dat ze met bijna niets anders bezig zijn dan hun afkomst. Hoewel Quinsy Gario, activist tegen Zwarte Piet van het eerste uur, al in de tweede aflevering bevestigend antwoordde op de vraag of hij weleens dacht aan iets dat níet met racisme te maken had: ‘Ik hou van tv-kijken. Veel pulp en kookprogramma’s. Ik ben een normaal mens.’

Aan de andere kant van het spectrum, en die zit meestal hoog op de maatschappelijke ladder, zijn daar de Nederlanders die niet aangesproken willen worden op de migratie van hun familie. Zo wilde toenmalig CBS-directeur Tjark Tjin-A-Tsoi, die lange tijd door het leven ging als Tjark Tjin, in eerste instantie niet meewerken aan een gesprek over zijn afkomst. ‘Het speelt niet bij mij. Ik ben er niet mee bezig en ik wil er niet per se mee worden geassocieerd. Mijn ouders kwamen uit Suriname, een arm land aan de andere kant van de wereld. En ik ben een Nederlander. Dat is het hele verhaal.’

Voor deze serie probeer ik iedereen te spreken, dus met alle varianten die zich bevinden tussen de twee bovengenoemde uitersten. Of ze dat nu willen of niet, zoals Tjark Tjin-A-Tsoi, al deze Nederlanders worden gedwongen zichzelf te verhouden tot dit onderwerp. Of ze nu Antilliaans-Marokkaans zijn (hallo, Jayh Jawson) of Ghanees-Nigeriaans-Antilliaans-Joods (dag, Samira Rafaela) of slechts Belgisch (hoi, Ivo Victoria) of Duits (ha Dennie Christian).

Waar een autochtone Hollander naar waarheid kan zeggen dat hij nooit een reden heeft gehad om na te denken over zijn afkomst, bestaat die luxe niet voor Nederlanders met een migratieachtergrond, zoals de meest recente officiële benaming luidt. Of het nu je naam is of je uiterlijk of je accent – altijd zal dezelfde vraag terugkomen: waar kom je vandaan? Gevolgd door: nee, waar kom je écht vandaan?

2. Wat in het ene deel van Nederland al jarenlang vanzelfsprekend was, wordt nu pas duidelijk voor de rest

Etnisch geprofileerd worden door de politie, altijd je best doen om niet agressief of bedreigend of emotioneel dan wel hysterisch over te komen, steeds worden gezien als onderdeel van een groep en niet als een individu, een lager advies krijgen na de basisschool en in het algemeen worden ingeschat als minder slim, hardwerkend of hoog opgeleid – het is allemaal zo vanzelfsprekend dat het niet eens hoeft te worden uitgesproken. Tenminste, onder wat ik maar even de zwartharige Nederlanders zal noemen. En daar zijn er inmiddels een paar miljoen van.

Dat een groot deel van de rest van de bevolking dit nu pas lijkt te beseffen, na de maatschappelijke reactie op de moord op George Floyd, zou je verbazingwekkend kunnen noemen. Feit is dat de gemiddelde zwartharige Nederlander – zelfs wanneer die voornamelijk contacten heeft binnen zijn eigen Turkse, Marokkaanse dan wel Surinaamse kring – aanzienlijk meer kennis heeft van de autochtone cultuur dan omgekeerd.

Corendon-eigenaar Atilay Uslu: ‘In Rotterdam werd mij een keer gevraagd: wat is het verschil tussen een Marokkaanse en een Turkse caissière? Wat is dat voor vraag? Marokkanen zijn donkerder en hebben meer krullen. De enige verbondenheid is dat we allebei zogeheten allochtonen zijn. En we hebben hetzelfde geloof, zo’n beetje. De culturen zijn totaal verschillend. Wanneer mensen mij een Marokkaan noemen, zeg ik eerst dat ik van Turkse komaf ben. Na de tiende keer geef ik het op. Oké laat maar, dan ben ik wel een Marokkaan.’

3. Het gaat niet zomaar weg

De afgelopen maanden werd alleen nog maar over de coronacrisis gesproken. Binnen de gesprekken voor ‘Land van afkomst’ kwam het ook wel ter sprake, maar afgezien van social distancing en aanverwante zaken had dit virus niets veranderd aan hoe we in Nederland met elkaar samenleven. Buiten die gesprekken kon het lijken alsof racisme en discriminatie niet meer bestonden, doordat er in de media geen plaats meer voor was. De werkelijkheid is dat zelfs een dodelijke en besmettelijke pandemie vele duizenden Nederlanders niet weerhoudt van demonstreren, met als directe aanleiding een incident dat niet eens in Nederland heeft plaatsgevonden.

4. Meningen liggen vast

Bij iedere aflevering van de interviewserie lopen de lijntjes precies zoals je ze van tevoren kunt uittekenen. Wanneer trendwatcher Adjiedj Bakas vertelt dat mensen die klagen moeten ontbozen en dat klagen over Nederland ondankbaar is, zorgt dit voor enthouasiaste reacties aan de rechterkant van het politieke spectrum en voor walging van links.

Als schrijver Karin Amatmoekrim vertelt hoe haar moeder wilde dat ze Boersma zou blijven heten, de naam van haar stiefvader, omdat hun eigen achternaam tegen haar zou werken in Nederland, dan zijn de reacties precies omgekeerd. En bij controversiële figuren als ondernemer Sait Cinar (‘Kijk, ik zie dat jij Joods bent. Geen probleem, we zijn allemaal mensen.’) kun je van tevoren weten dat er ingezonden brieven komen met de vraag waarom deze man ‘een podium krijgt’.

In de jaren dat deze serie loopt, heeft een verschuiving plaatsgevonden over een belangrijke culturele splijtzwam, Zwarte Piet. Enerzijds is dat logisch, omdat veel mensen gingen inzien dat het niet erg smaakvol is om in een land met de slavernijgeschiedenis van Nederland zwart geschminkt over straat te blijven lopen. Anderzijds is het bijzonder. Het is moeilijk, bijna onmogelijk zelfs, om mensen van gedachten te doen veranderen.

Minister-president Mark Rutte begon met de voor vele Nederlanders verbijsterende grapjes over Antilliaanse vrienden die blij zouden zijn omdat ze de schmink niet van hun gezicht hoefden te vegen. Dit gebeurde in een atmosfeer die paste bij zijn stelling dat Zwarte Piet nu eenmaal zwart is en dat hij daar niets aan kon veranderen. Vorige week sprak Rutte in de Tweede Kamer, onder druk van de snelle maatschappelijke ontwikkelingen na de moord op George Floyd, de verwachting uit dat er over een aantal jaren bijna geen Pieten meer zwart zullen zijn. Hoewel hij bleef spreken in termen van mensen die zich gediscrimineerd ‘voelden’ en het dus niet per se daadwerkelijk werden, was het symbolisch een grote verschuiving.

Dat de algemene opinie over zo’n cruciaal vraagstuk binnen een paar jaar kan veranderen is een hoopvol signaal. Dit geldt ook voor de verschuivingen die deze weken zichtbaar worden.

Robert Vuijsje is schrijver. Zijn laatste roman, Salomons oordeel, is een komedie over het ongemak van de moderne gesprekken tussen zwart en wit in Nederland.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden