columnrobert van gijssel

Als we tijdens de crisis één ding hebben laten zien, dan is het dat we het nachtleven als culturele kracht totaal niet serieus nemen

Robert van Gijssel web Beeld Daniel Cohen
Robert van Gijssel webBeeld Daniel Cohen

Wekelijks neemt Bor Beekman, Robert van Gijssel, Merlijn Kerkhof, Anna van Leeuwen of Herien Wensink stelling in de wereld van film, ­muziek, theater of beeldende kunst.

Die coronacrisis, met al die lockdowns en zo. Hoe zat dat ook alweer? De ellende lijkt al bijna iets van vroeger, een nare herinnering. Want kijk hoe we de hele dag op het terras hangen en ons in overvolle treinen naar ons werk begeven. Vrijdagmiddagborrel? Ja, leuk. Doen we daarna nog een tafeltje in een restaurant, want dat mag ook weer. En we kunnen naar het theater, naar de opera en het poppodium, al is de toegang nog beperkt. En er zijn festivals in aantocht. We gaan straks lekker naar Lowlands! Hoe de festivalzomer er precies gaat uitzien, daarover vertelt het kabinet ons vrijdagavond meer. Maar dat we gaan feesten op de weide, dat is wel zeker.

Je zou bij de euforie één ding vergeten. De nachtclubs. Die zijn nog steeds potdicht. Er kraait ook geen haan meer naar: het is alsof het nachtleven compleet vergeten is. Het bestaat niet meer, want is feitelijk gewoon vakkundig vermoord en afgevoerd.

Geen sector heeft het zo onmogelijk zwaar gehad als het clubleven. We hebben het in deze krant vaker geroepen en de sector zelf heeft zich ook briesend boos gemaakt, maar het heeft allemaal niets geholpen. Alle discotheken en clubs gingen bij aanvang van de coronacrisis dicht. En dat bleven ze. Er werd nooit een vooruitzicht geboden. Alle initiatieven vanuit het clubleven zelf om tot veilige dansavonden te komen, werden afgewezen. Geen compromissen, geen sprankje hoop. Het nachtleven smoorde in de duisternis en er kwam geen streep licht meer onder die dichte deur door.

Waar de sector het nu mee moet doen, na de laatste versoepelingen van 5 juni waarbij de clubs gewoontegetrouw waren overgeslagen? Wachten tot de volgende versoepelingen, aan het einde van de maand. Pas dan, zo maakte het kabinet wel vast bekend, wordt gekeken of in de maand juli, onder strenge voorwaarden en in goed gemeentelijk overleg, weer een nachtclub kan worden bezocht. Waar dan waarschijnlijk nog wel de anderhalvemeterregel moet worden gevolgd. Dan vraag je je af: had dat dan niet eerder gekund? Bijvoorbeeld bij de openingen van de theaters? Waarom staat ook nu de dancetent weer hélemaal achter in de rij?

Als we als land één ding hebben laten zien, dan is het dat we het danceleven totaal niet serieus nemen als culturele kracht. En dat terwijl de dance het grootste Nederlandse muzikale exportproduct is, en de grote aanjager van een wereldwijde trend in de popmuziek van de afgelopen twintig jaar. Welke waardering heeft het nachtleven daarvoor gekregen? Geen enkele. De sector kreeg de middelvinger. Niet zeuren: deuren dicht en klaar. In clubs en discotheken, zo is dus kennelijk het idee, verzamelt zich ’s nachts een bende losgeslagen beesten die elkaar zwetend en volgeladen met drugs gaan lopen besmetten. En met wie uiteraard geen enkele afspraak te maken is. Levensgevaarlijk, dus verbieden die hap.

Jammer voor die honderden gezonde bedrijven die al anderhalf jaar op de rand van de afgrond balanceren. Of inmiddels over de kling zijn gejaagd. Hoe snel de covidcrisis straks ook uit ons collectieve geheugen verdwijnt: deze stomp in het gezicht van het ooit gevierde onderdeel van onze muziekcultuur mag nooit worden vergeten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden