Als mensen je vreemd vinden, wees dan vreemder

Sarah Sluimer Foto Berto Martinez

Als kind woonde ik in een dorp waar op zondagen de 19de eeuw, inclusief hoedjes en bleke smoeltjes, aan je voorbij wandelde op weg naar een kerk waar God niet van je hield maar je vertelde dat al je geploeter op zijn akkers voor niets was. Alle kinderen hadden muizig blond haar en waterblauwe ogen. Ik niet. Ik leek op Mulan, of Pocahontas als je écht zou willen. Niemand wilde.

Foto Berto Martínez

Op balletles noemden ze me de Turk. Er waren geen pestprotocollen en ik mocht ook al geen Nike Air Max kopen van mijn moeder. Van de weeromstuit las ik veel, zoals dat hoort bij lichtelijk eenzame kinderen. Ik probeerde potloden te verplaatsen met mijn ogen. Ik vond Geitepeter maar een drol, maar die Peter van het Achterhuis wel een spannend ding. Ik bedelde om een Joop ter Heul-jurk, met van die leuke klosjes aan de riem die ik - ik zweer het, mam - nóóit aan een tram zou laten haken, want er waren helemaal geen trams in het dorp.

En toen vond ik, na lang graven in de gecensureerde dorpsbibliotheek, De Heksen van Roald Dahl. Ik las en herlas het. Ik had niks met het brave jongetje. Ik was een heks, zo besloot ik.

Weer later, toen ik de kinderafdeling van boven naar onderen had doorgeploegd, zag ik de film. Anjelica Huston, met kaarsrechte bob, zwaar aangezette slaapkamerogen en wiebelende zwanenhals die met Duits accent haar volgelingen toesprak. Ik leende The Addams Family, waar diezelfde Anjelica de vriendelijke zuster van de Opperheks speelde. Macaber, maar campy. Eindeloze grapjes over marteling en sadomasochisme. En dat alles gedragen door haar bottig witte decolleté, lange klauwvingers en zwarte wimpers die reikten tot in de hemel. Of hel.

Verkleedfeestje

Seks en de dood: een schot in de roos voor een prepuber in een christelijk dorp. Anjelica Huston werd mijn rolmodel. Ik moest haar zijn.

Al snel diende de eerste gelegenheid zich aan. Ik werd uitgenodigd voor een verkleedfeestje. Weken van tevoren viel ik mijn moeder lastig om een sluier van tule, een zwartfluwelen jurk en make-up van de carnavalswinkel.

Het kwam er, waarschijnlijk omdat zij ook opleefde bij die sociale ijver van haar dochter. Op de grote dag zetten we mij samen in de steigers. Poederwit gezicht, het was misschien niet helemaal Anjelica, maar wel eng, zo dacht ik tevreden terwijl ik voor de spiegel mijn arrogantste blik oefende.

Ik ging naar het feest, op de fiets. Het begon te regenen. Ik kwam aan. De tule was verkreukeld, mijn gezicht een Francis Bacon-schilderij met holle zwarte ogen en vegen. De andere kinderen dachten dat ik een zieke clown was, al had niemand It gezien.

Nepgebitje

Ik gaf niet op. Later, toen ik mijn aandacht van Anjelica naar Paul van Loon had verplaatst, heb ik een spreekbeurt gehouden over vampiers, waarbij ik mijn moeders Parijse rode cape droeg en plastic punttanden in had.

Onverstaanbaar stotterde ik door dat nepgebitje heen. Ik moest het van de juf uitdoen. De spreekbeurt viel van de weeromstuit in het water. Van Dracula tot poepchinees, voilà.

Als mensen je vreemd vinden, wees dan vreemder, zo dacht ik toen. Een vergissing. Ze prikken dwars door je pantser heen.

Meer over