Columnmax pam

Als literatuur uitgroeit tot een handvat om mee opgevoed te worden, dan wordt zij saai en vervelend

null Beeld -
Beeld -

De rondwarende tijdgeest zal er ongetwijfeld de oorzaak van zijn dat je steeds vaker de opvatting tegenkomt dat literatuur moet bijdragen ‘aan empathie en burgerschap’. Zelf geloof ik daar helemaal niets van. Literatuur, vermoed ik, houdt ons op de een of andere manier een spiegel voor door de rauwheid van het menselijk bestaan te tonen in al zijn goed- en slechtheid, in al zijn tekorten. Terwijl ik dit opschrijf, vind ik al dat ik te grote woorden gebruik, maar ik heb even geen betere. Op sommige momenten zal literatuur ook negatieve gevoelens van verontwaardiging, regressie of misantropie in onze huid kerven. Dat heeft literatuur, naast al het andere, ook in zich – het is niet anders. Het fascinerende, en het bevrijdende, van literatuur is voor mij altijd geweest dat het juist ontsnapt aan allerlei morele conventies.

De ethische opvatting, zoals die wordt uitgedragen door Yra van Dijk, hoogleraar moderne letterkunde aan de Universiteit Leiden, en haar kompaan Marie-José Klaver, is volkomen contraproductief en werkt volgens mij eerder de ontlezing in de hand. Als literatuur voor jongvolwassenen uitgroeit tot een handvat om mee opgevoed te worden, dan wordt literatuur saai, sentimenteel en vervelend. Dat is ook precies wat ik hoor van mijn eigen kinderen. Ik voeg daar nog aan toe dat degenen die precies schijnen te weten wat onze jongeren te lezen moeten krijgen, meestal zelf de meest uitgebluste teksten produceren.

De nieuwste loot aan de ethische stam heet Jeroen Dera en volgens de Volkskrant is hij ‘universitair docent Nederlandse letterkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen, gespecialiseerd in literatuuronderwijs’. Inderdaad een hele mond vol, vroeger heette zo iemand vermoedelijk: leraar Nederlands. Ook hij is erachter gekomen dat in de literatuur – net als in het gewone leven overigens – gebruik wordt gemaakt van stereotypen. Vooral Het gouden ei van Tim Krabbé moet het ontgelden. Als ik Dera goed begrijp, hebben zijn vakgenoten een hekel aan deze kleine roman, die zo populair is onder middelbare scholieren. In plaats van blij te zijn met een boek dat jongeren graag willen lezen, zouden ze het liever van de leeslijsten verbannen. In plaats van zich af te vragen waarin precies de aantrekkingskracht ligt van dat boek – de zoektocht naar een slecht mens, oei! – en waarom de vervreemdende schrijfstijl van Krabbé toch ontroerend werkt, zoals Sylvia Witteman onlangs constateerde, heeft Dera zich gestort op de seksistische en racistische stereotypen die erin voorkomen.

En hij heeft heel wat gevonden. De vrouwelijke hoofdpersoon breit en stofzuigt en dat doen moderne vrouwen niet meer. Bij een tankstation ziet de mannelijke hoofdpersoon ‘een neger in een Afrikaanse jurk’ en als klap op de vuurpijl heeft de auteur het over ‘een vadsige Birmese prins op een troon’. Elke tijd heeft zijn eigen woorden en zijn eigen idioom. Als Krabbé over een vadsige Thaise prins (of koning) had geschreven, was hij trouwens verrassend actueel geweest.

Het woord neger dat bij veel Nederlandse schrijvers voorkomt – van Hermans tot Campert – is al enige tijd taboe. Onlangs werd in NRC Handelsblad geschreven over de roman Mijn zuster de ******. Ik moest even met mijn ogen knipperen voordat ik begreep dat het ging over Mijn zuster de negerin van Cola Debrot.

Stephan Sanders werd erop aangesproken dat hij het een mooie roman vindt, maar ik kan het slechts volkomen met hem eens zijn. Misschien moet ik even het begin citeren om te illustreren hoe Debrot met stereotypen omspringt. Hoofdpersoon Frits Ruprecht komt met de boot aan in de Cariben en zegt dan: ‘Het is ook wonderbaarlijk dat ik hier op dit eiland, waar ik geboren ben, terugkom, omdat mijn vader mijn moeder volgde, nu ook dood is, en misschien ook omdat ik genoeg heb van Europa waar men veel te weinig negers ziet. Ik ben blij dat ik voorgoed rijk ben. Bij een negerin wil ik leven. Ik zal haar noemen: mijn zuster de negerin. Ik haatte in Europa de bleeke gezichten met hun vischachtige kilheid, hun gebrek aan broederlijke en zusterlijke sympathie.’

Dat is misschien toch iets anders dan wat je na zo’n titel zou verwachten. In elk geval zijn die zes woke sterretjes voor Debrot totaal onverdiend.

Het zou erg leeg in de literatuur worden als wij al die boeken met een ethisch oog te lijf gaan. Dat Het gouden ei nu moet worden afgeschreven, verbaast mij niet, want het boek heeft nooit de goedkeuring kunnen wegdragen van de taalpolitie, hoewel het twee maal is verfilmd – zelfs tot in Hollywood – wat maar weinig Nederlandse boeken is overkomen. In 1986 werd het door het Fonds voor Letteren voor een aanvullend honorarium afgewezen ‘wegens te geringe literaire kwaliteit’. Tegelijkertijd kregen heel wat romans, waarvan later nooit meer iets is vernomen, wel zo’n honorarium.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden