Column Peter Buwalda

Als je ooit verwikkeld raakt in een pijnlijk kunstdialoog is er één ding dat je nooit moet doen: inbinden

Beeld Berto Martínez

Van de zomer, toen ik nog terminaal aan het writen was voor Jan met de Korte Penis, gingen we ergens heen, volgens mij naar Drenthe of Friesland. Was het vakantie? Misschien. We belandden niet in een tent, en ook niet in een hotel. Misschien was het een museum, want er hingen tekeningen van Picasso.

Naast me stond Derek, de curator. Ik zoomde in, waarna ik uitzoomde. Bobbelige stukken schetsblok waarop Pablo zonder zijn hand van het papier te halen een pelikaan had getekend, een paard, een unknown bird en de teckel van Harry Mulisch. Snel cashen, heet dat. Ik kan er niet over meepraten.

‘Ze zijn echt’, sprak ik het hoge woord.

‘Ikea’, glimlachte Derek, in wie ik nu onze vriend herkende. We stonden in zijn huis, waarop we gingen passen.

‘Echt?’, vroeg ik.

‘Nep.’

‘Nee’, zei ik, ‘nu bedoelde ik echt Ikea?’

‘The real thing, Peter’, knipoogde hij.

Deze pijnlijke kunstdialoog was karma, maar traag karma. Lang geleden, ik woonde in Enschede, vroeg bezoek dat voor mijn ingelijste nep-Picasso stond: ‘Kunstuitleen?’

Dat vond ik toen zo, woehaha, ontstellend dom, dat ik zei: ‘Nee, heeft mijn vader geschilderd’ en wees naar de foto van Gerard Reve op mijn nachtkastje. Het bezoek pakte het lijstje op, keek van de foto naar de snob naar de foto, foto, snob, foto, etc., en zei: ‘Je lijkt op hem!’ Toen ik uren later onthulde hoe het zat, moest het bezoek huilen.

Ik leerde hier niks van. Dat gebeurde pas onlangs, toen ik een antiquariaat binnenstapte waar je ook kunst kon kopen. De man had mooie tentoonstellingsaffiches van befaamde grafische ontwerpers staan, waarover hij veel te vertellen wist. Ik niks, ik heb totaal geen verstand van grafische vormgevers, maar als je op de juiste momenten ‘ja’ zegt en soms zelfs ‘klopt’, dan blijft je onkunde voor de ander een geheim — en dat is wat je wil. Voor de een is het leven een jurk, voor de ander een potje triviant.

Belangrijk is: niet te veel willen. Geen vragen stellen en zeker niks ‘spuien’. Zoals zeggen, bij de eerste de beste Escher die voorbijkomt: ‘Typisch Escher.’

‘Dit is de achterneef’, zei de verkoper.

‘Dat zeg ik, typisch Escher. Hij heet ook Escher.’ Je moet nooit zomaar inbinden.

De man lachte. ‘Zijn oudoom vond zijn affiches spuuglelijk. M.C. werd er kotsmisselijk van. Staat in een brief.’

Ik stak mijn vinger op. ‘Ook daar geldt: typisch Escher.’ Keihard doorbeuken, meer kun je niet doen. Erna mag je weer terug naar ‘klopt’ en ‘ja’.

We hielden halt bij een affiche voor Randstad. Prachtig ding — echt iets voor Jet d’r verjaardag. Te zien was een enorme gestileerde gloeilamp, met als gloeidraad in hardroze het logootje van het uitzendbureau. ‘Randstad Make Light’ stond erboven.

De verkoper geloofde nog steeds in me, want hij vroeg of ik toevallig wist wie de ontwerper was. Het stond eronder: ‘Work Of Job Hunting’.

‘Job Hunting’, zei ik.

De vent keek me lachend aan.

Ik keek lachend terug.

‘Job Hunting?’, vroeg hij, nog altijd lachend. Ik knikte lachend. Er klopte vast iets niet. Wie weet was het weer de neef, of zo. Van Kees Hunting, of zo.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.