Column De jonge Rembrandt

Als je goed kijkt, wemelt het in Rembrandts werk van de honden

Een zelfportret van Rembrandt in 1631-1632, in Petit Palais, Musée des Beaux-Arts de la Ville in Parijs. Beeld Getty Images

Rembrandt woonde de eerste 25 jaar van zijn leven in Leiden. Onno Blom werkt aan een biografie van die jaren en doet daarover hier een jaar lang verslag. 

Als je goed kijkt, wemelt het in Rembrandts werk van de honden. Een ruwharig exemplaar laat de blinde Tobias haast struikelen als die naar de deur wankelt. Op De doop van de kamerling drinkt een grote, wit-bruine hond water uit de bron waaruit de kamerling wordt gedoopt. Als Jozef zijn dromen vertelt, likt een hond zichzelf schoon onder de staart. Er zit er eentje te poepen op de voorgrond van De barmhartige Samaritaan.

Op De Nachtwacht schrikt een straathond van het tromgeroffel als kapitein Banning Cocq zijn compagnie wil laten vertrekken. Deze hond had jarenlang twee staarten. De lange, omhoogstaande staart was niet van Rembrandt en werd in 1975 bij een restauratie verwijderd. De andere staart, angstig tussen de achterpoten, bleef zitten. Als deze zomer De Nachtwacht opnieuw gerestaureerd gaat worden, zal het bange hondje, dat meer en meer verdween door Rembrandts gebruik van smalt, een goedkoop pigment, weer met glanzende vacht onder de ogen van het publiek verschijnen.

Zoveel honden, zoveel zinnen. Honden stonden op 17de-eeuwse genrestukken symbool voor hulpvaardigheid, onwetendheid, waakzaamheid – geen slapende honden wakker maken – en onreinheid: ‘Geeft het heilige niet aan honden en werpt uw parels niet voor de zwijnen’ (Mattheüs 7:6). Of ze spiegelden seksueel verlangen. ‘Gelijck de Juffer is, soo is haer hondeke’, schreef Jacob Cats in zijn Spiegel van den ouden ende nieuwen tijdt.

Samuel van Hoogstraten, oud-leerling van Rembrandt, sprak er in zijn Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst schande van, toen hij op zijn meesters schilderij van de predikende Johannes een hond ontwaarde die op onstichtelijke wijze een teef besprong. ‘Zoodanige uitbeeldingen maeken het onnoozel verstant des meesters bekent.’

‘Zelfs op verheven voorstellingen als De Prediking van Johannes de Doper kunnen honden het niet laten om naar een emmer koud water te solliciteren’, schreef Jan Wolkers in zijn essay Rembrandt is Rembrandt.

Mijn favoriete hond staat op het schilderij uit 1631 waarop de Rembrandt zichzelf heeft afgebeeld als oosterling. De kunstenaar draagt een glanzend goud gewaad, een donkere fluwelen mantel en een tulband met een veer erop. Aan zijn voeten zit een poedel. Met zijn donzige krullen, warme snoet en die witte baan over zijn kop, ziet hij er heel aaibaar uit.

Dit schilderij zag er eerst anders uit. Dat weten we omdat er een kopie van bestaat zonder hond, en omdat de röntgenfoto van het origineel als twee druppels water lijkt op de kopie. Dus moet het dier er later op zijn geschilderd.

Op het signatuur, ‘Rembrant f ... 1631’, spelde Rembrandt zijn voornaam voluit, maar zonder ‘d’. Dat deed hij alleen aan het einde van 1632 en het begin van 1633.

Rembrandt moet de poedel hebben toegevoegd in de lente van 1633. Hij had toen net zijn geboortestad Leiden verlaten en stond op het punt zich in Amsterdam te verloven met de chique en bekoorlijke Saskia van Uylenburgh.

Van dit schilderij bestond ooit een pendant, waarvan nu alleen nog een kopie bewaard is gebleven en waarop ook Saskia stond afgebeeld in oriëntaals kostuum.

Honden waren niet alleen symbool van onreinheid en verboden verlangens, maar ook van edele eigenschappen. Zou Rembrandt de poedel aan zijn voeten hebben gezet als teken van trouw aan zijn toekomstige vrouw?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden