Column Eva Hoeke

Als ik wil reizen, lees ik een boek

Beeld Aisha Zeijpveld

Ooit reisde ik naar Peru.

Voor een maand, in mijn eentje, op mijn 18de. Nooit eerder was ik buiten Europa geweest, wat heet, ik was amper Nederland uit geweest. Wij gingen thuis niet op vakantie, een tripje naar Luxemburg en één keer naar Londen daargelaten. Ik kan niet meepraten over campings in Frankrijk, nog steeds weet ik geen enkele Franse streek aan te wijzen op de kaart en die ene keer dat we wel door de Ardennen sjokten, kregen mijn ouders ruzie en liep mijn vader weg, we zagen ’m thuis pas weer.

En dan ineens naar Cuzco vliegen, in je uppie, via Colombia.

Dan weet je: daar probeert iemand iets te compenseren.

Voor mezelf én voor de vriendinnengroep waartoe ik behoorde, meisjes die zich hun hele middelbareschooltijd een baan als sociaal hulpverlener droomden, of schrijver, liefst van Rechtvaardige Stukken. En reizen, dat wilden we ook, ver weg en dan vooral niet naar een westers land, de vriendin die mompelde dat ze Amerika eigenlijk wel zag zitten, keken we nuffig aan. Ik was daarin niet eens de fanatiekste. Maar kennelijk wel degene met de meeste bewijsdrang, want toen iedereen na school doorging met een studie en ik als enige werd uitgeloot, boekte ik van de een op de andere dag een ticket naar een plek 10.343 kilometer verderop, travellerscheques mee, al het geld dat ik op zaterdagen achter kassa’s had verdiend zat erin.

En? Was het wat?

Nee, natuurlijk niet.

Ik sprak geen woord Spaans, had een koffer bij me in plaats van een rugzak (o, die blikken in het hostel) en was tien tandjes te bleu om de eigenaardigheden van een andere cultuur op waarde te schatten, laat staan te omarmen. Ik was 18 en bezig met dingen die 18-jarigen doen – zelfs tijdens de vierdaagse Inca Trail naar de eeuwenoude Inca-stad Machu Picchu was ik alleen maar bezig met die beeldige Indiaas-Israëlische backpacker, en of-ie nou voor of achter me liep. Even verderop was een aardbeving, net in die maand werd er een toeriste vermoord, internet bestond nog nauwelijks, bellen was duur en mijn kamergenote ging liever met een ander meisje om, hetgeen me genadeloos terugwierp in de schooldynamiek die ik meende te hebben ontstegen. 

Na anderhalve week hoopte ik vurig op het breken van een been of iets anders waarmee ik zonder gezichtsverlies terug kon keren, maar helaas. Wel ontdekte ik de cuba libres die werden geschonken in de zijstraten van de Plaza de Armas, toevallig ook de plek waar die Indiaas-Israëlische gozer vaak rondhing, al dan niet in een lokaal geproduceerde poncho. In mijn faxen naar mijn vriendinnen sprak ik ondertussen opgewekt en wereldwijs over kathedralen, geroosterde cavia en kauwen op cocabladeren. Reizen is ook doen alsof je iets meemaakt.

Na Peru was ik wel even genezen.

Pas tien jaar later ging ik weer, voor het eerst naar Amerika, geweldig land.

Met de Man bezocht ik Libanon, Iran en Israël, plekken waar de geschiedenis op straat ligt, zodat we ons raad weten met onszelf. Nu we kinderen hebben beperken we ons tot Holland, mooi zat. En misschien is het met vakantie wel zoals het met bidden is, of met Sint-Maarten lopen: als je er niet mee bent opgevoed, heb je er ook geen behoefte aan. Ik droom niet van met lavendel omzoomde boerderijtjes in de Provence, ik heb geen atol in een aquamarijnblauwe oceaan als bureaublad. Wanneer ik wil reizen, lees ik een boek of kijk ik naar Ruben Terlou. Kan Belle van Zuylen wel roepen dat terugkomen niet hetzelfde als blijven is, maar goed, die had dan ook geen televisie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden