ColumnThomas van der Meer

Als ik op de geur van brandend vlees zat te wachten, was ik wel gaan werken in een dierencrematorium

thomas van der meer artikel Beeld de volkskrant
thomas van der meer artikelBeeld de volkskrant

‘Je vrienden vinden het vast niet leuk dat je hier met mij zit’, zegt mevrouw Ten Hoove (96). We zitten op een bankje in de tuin achter het verpleeghuis. Haar rollator staat naast ons geparkeerd.

‘Hoezo? Wat bedoelt u?’

‘Als een jongen met een meisje omgaat, heeft hij minder tijd voor zijn vrienden. Daarom vinden die dat niet leuk.’

‘Hoe oud bent u?’

‘20. Nee, 22.’ Ze fronst en tuurt in de verte. ‘Om en nabij de 20.’

Mevrouw Ten Hoove is ook weleens 40 of 50, nooit 96 en meestal om en nabij de 20.

‘Kom, we moeten terug’, zeg ik. ‘Het is bijna etenstijd.’

Als we uit de lift stappen op de verdieping waar mevrouw Ten Hoove woont, een afdeling voor mensen met dementie, komt ons een vreselijke stank tegemoet. Het is de maaltijd die mijn collega in te keuken staat te bereiden.

‘Ik ruik niets’, zegt mevrouw Ten Hoove.

‘Zet in godsnaam de afzuigkap aan’, roep ik naar mijn collega, en ik gooi de ramen open.

‘Nee’, zegt ze boven de pan sissend spek. ‘Dit is geurbeleving.’

Meneer Wiersma kijkt op van zijn kleurboek. ‘Ik ruik ook niets.’

Geurbeleving is een manier om bewoners te activeren door hun zintuigen te prikkelen, maar de reukzin van deze bewoners is door alzheimer weggeknaagd. Alleen het personeel ruikt dat de hele afdeling is doortrokken met de geur van brandend varkensvlees. Als ik op deze geur zat te wachten, was ik wel gaan werken in een dierencrematorium. En dit is nu al de zoveelste keer.

Driftig been ik naar kantoor. Ict heeft hier weinig prioriteit, dus het opstarten van de computer geeft me bijna tien minuten om me nog verder op te fokken. Mijn portofoon piept. Het is mevrouw Trottier. ‘Ik zit op de wc’, zegt ze. ‘Kan iemand even helpen?’

‘Over vijf minuten ben ik bij u’, antwoord ik, terwijl ik in een e-mail aan mijn collega’s de erbarmelijke leefomstandigheden uiteenzet van varkens in de vee-industrie. Varkens worden voor hun kop geschopt, aan hun oren voortgesleept en hun staart wordt onverdoofd afgebrand. ‘Dat kan jullie vast niets schelen’, ram ik op het toetsenbord, ‘want dat kan bijna niemand iets schelen’.

Mijn buurvrouw is keuringsarts in slachthuizen. Als ze thuiskomt van haar werk, doet ze verslag van de barbaarse taferelen waarvan ze getuige is geweest en daar moet ze dan samen met de buurman om lachen. ‘Ze kan dat zo mooi vertellen’, zegt de buurman.

We zouden geen varkens moeten eten. Andere dieren trouwens ook niet. Ik ken vleeseters die geen paard en hert eten wegens ‘te edel’. Ik weet niet wat ik daarvan moet denken. Een hert is tenminste niet mishandeld in een slachthuis, maar van het eten van wilde dieren krijg je weer andere dingen, zoals een coronapandemie. Omdat iemand zo nodig een vleermuis door de soep moest roeren, raakte ik besmet met corona.

Tierend lag ik in bed. Ik dacht: ze willen me vermoorden, die vleeseters. Als ik beter ben, maak ik ze kapot. Allemaal. Ik dacht dat ik witheet was van woede, maar ik had gewoon koorts.

De volgende ochtend was het virus ontmanteld, mijn binnenste weer netjes aangeveegd en was ik weer mijn genuanceerde zelf. Jammer genoeg was het me toen niet gelukt om te radicaliseren. Ik recht mijn rug en haal een keer diep, snuivend adem: vandaag lukt het wél.

‘Komt er nou nog iemand?’ Mevrouw Trottier heeft weer op de bel gedrukt.

Ik zie voor me hoe ze op me zit te wachten, met haar magere beentjes en die grote pantoffels aan haar voeten. Vanmorgen kwam ik haar helpen met wassen en aankleden. In haar pyjama zat ze op de rand van het bed en zei: ‘Ik heb het zo zwaar’.

‘Kan ik iets voor u doen?’

‘Hoezo?’

‘Nou, omdat u het zwaar heeft.’

Ze schoot in de lach. ‘Ik heb het altijd zwaar’, schaterde ze.

Ik klik mijn e-mailbericht weg zonder het op te slaan of te versturen. Ach, mijn collega’s met hun dampende pannen. Het is hemeltergend, maar op een bepaalde manier ook erg aandoenlijk. Ze bedoelen het goed.

‘Ik kom er nu aan’, zeg ik tegen mevrouw Trottier.

Thomas van der Meer is schrijver en werkt in een verpleeghuis. De namen van personen in deze column zijn gefingeerd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden