ColumnIonica Smeets

Als het mij al duizelt van alle coronagetallen, hoe is dat dan voor mensen die minder goed zijn met cijfers?

Als er aan één ding geen tekort is tijdens de coronacrisis, dan zijn het getallen en cijfers. Er zijn de dagelijkse statistieken, zoals: 7.393 nieuwe positieve tests geregistreerd afgelopen dinsdag. Daarnaast zijn er weekcijfers, zoals het percentage positieve testen dat van 10,4 naar 13,8 procent steeg. Er zijn trends, vergelijkingen, grafieken en percentages. En dan zijn er de kleine verhaaltjessommen zoals de omschrijving van de Canarische eilanden als ‘een gebied waar per 100 duizend inwoners bijna vier keer zo weinig besmettingen worden vastgesteld als in de Nederlandse koploper Zuid-Holland’.

Als het mij soms al duizelt van alle getallen, hoe moet dit alles dan zijn voor mensen die minder goed zijn met cijfers? Er is veel onderzoek gedaan naar laaggecijferdheid, de getalsmatige tegenhanger van laaggeletterdheid. In het recentelijk verschenen boek Innumeracy in the Wild beschrijft de Amerikaanse hoogleraar wetenschapscommunicatie Ellen Peters hoeveel invloed ‘slecht zijn met getallen’ op iemands leven heeft. Hooggecijferden zijn bijvoorbeeld gemiddeld welvarender – ook als je mensen met eenzelfde opleidingsniveau en algemene intelligentie vergelijkt. Laaggecijferden zijn vaker ziek, vinden het lastiger om medicijnen goed te gebruiken en de meest kansrijke behandeling te kiezen.

Peters vergelijkt het met roken: één sigaret heeft geen meetbare effect op de gezondheid. Maar de sigaretten die iemand in de loop der tijd rookt, veroorzaken een heleboel ellendige ziekten. Zo gaat het ook met alle onjuiste inschattingen en slechte beslissingen door ongecijferdheid. Ze stapelen zich langzaam op en leiden zo tot allerlei ellende.

Ik denk bij alle coronacijfers nu steeds aan hoe anderen ze zullen lezen. Die 13,8 procent positieve testen vertaalt mijn hoofd bijvoorbeeld automatisch naar 86,2 procent negatieve testen. Wat het voor mij dan weer iets minder eng maakt. Maar niet iedereen doet dit dus zo. Ook weet ik dankzij Peters dat voor laaggecijferden 13,8 procent juist weer minder eng klinkt dat ‘138 mensen op elke duizend’.

Overigens laat Peters ook mooie voorbeelden zien waar juist hooggecijferden mee de mist in gaan (ik wil geen namen noemen, maar ik ken iemand die even vrij enthousiast was toen ze besefte dat die 7.393 positieve tests een priemgetal is).

Stel dat je een miljonair bent die iets goed wil doen voor de hele wereld en dat je mag kiezen welk instituut 10 miljoen euro krijgt. Instituut X kan door een ziekte te behandelen het aantal doden daaraan verlagen van 15 duizend naar 5 duizend per jaar. Instituut Y kan (voor een andere ziekte) 160 duizend doden per jaar verlagen naar 145 duizend doden per jaar. Ten slotte is er instituut Z dat voor weer een andere aandoening het aantal doden per jaar kan terugbrengen van 290 duizend tot 270 duizend per jaar. Wat is nu de beste investering?

Instituut Z redt de meeste levens (namelijk 20 duizend per jaar), maar veel mensen kiezen bij deze vraag voor Instituut X omdat dat het grootste percentage van de genoemde levens redt (namelijk 67 procent) – terwijl daarbij ‘slechts’ 10 duizend geredde levens horen. En juist mensen die goed kunnen omgaan met getallen maken vaker deze denkfout.

Sterkte dus met alle coronacijfers de komende tijd. Laten we hopen dat ze snel kleiner en beter te begrijpen worden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden