Sander DonkersIn 150 woorden

Als een Auping-matras zwenkte Tante Jo steeds verder opwaarts, terwijl ik dieper wegzakte

Het was onfortuinlijk dat de nacht waarin mijn dierbare Tante Jo zaliger naar het ziekenhuis werd gebracht waar zij zou sterven, samenviel met de meest barbaarse drankorgie van mijn leven. Maar zo was het. Mijn moeder moest ’s ochtends een eeuwigheid bellen voordat ik een oog open deed. Onderweg naar Rotterdam braakte ik drie keer op de vluchtstrook.

Tante Jo zag die middag geen miserabel hoopje mens op de rand van haar ziekenhuisbed. Zij zag Goudkopje, en zijn moeder, haar vrijgevochten Amsterdamse nichtje. Haar oogopslag werd weer levendig, ze kreeg praats, vroeg om thee. Als de matrassen van zo’n dubbele Auping zwenkte zij langzaam opwaarts, terwijl ik steeds verder onderuit zakte. Aan het eind van het bezoekuur zat ze in een stoel bij het raam. ‘Kijk’, zei ze. ‘De Maas.’

De kater fluisterde mij in dat onze aanwezigheid Magere Hein rechtsomkeert had doen maken. Dus zeiden we wel gedag, maar niet wat we bij een afscheid gezegd zouden hebben.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden