ColumnThomas van Luyn

Als de zoon van Thomas van Luyn na een uur nog niet thuis is van het skaten, slaat de paniek toe

null Beeld Aisha Zeijpveld
Beeld Aisha Zeijpveld

Zoon van 8 vraagt of hij even mag skaten. Ja natuurlijk, doe je wel je helm op? Ja!, roept hij, en weg is-ie. Een kwartier later besef ik: dat is een record, dat hij zo lang weg is zonder dat ik weet waar hij uithangt. Niet dat ik me zorgen maak. Ben je gek. Grote jongen hè, zelfstandig al, kent de buurt op zijn duimpje. Halfuur later denk ik: hm. Het begint al te schemeren, ik ga hem binnenhalen.

In het steegje zie ik hem niet, en een rondje rond het blok levert ook niks op. Zou die knakker zich verstoppen? Is-ie boos? Ja hoor eens, hij moet de ijskastdeur achter zijn kont dichtdoen, na honderd keer vriendelijk verzoeken mag ik dat best een keertje schreeuwen. Doet meneer een ik-loop-weg-sessie? Nou dan heeft-ie de verkeerde, want dat weglopen, dat heb ik uitgevonden.

De straatverlichting floept aan. Nu is het officieel donker.

Hij moet ergens zijn, en blijkbaar loop ik hem steeds mis – het is de enige logische verklaring. Ik besluit de scooter te pakken om meer terrein te kunnen bestrijken. Daarmee betreed ik het paniekspectrum; binnen vijf minuten ben ik aan het racen en is mijn fantasie op hol geslagen. Overal water, godverdomme. Ik had mijn poot stijf moeten houden tegen die zwarte jas en een fel kleurtje moeten eisen. Hobbeldebobbel, de stoepen en bruggen afspeurend. Totdat een politiebusje me staande houdt, want ik heb geen helm op. Het perfecte excuus voor mijn helmloosheid is de waarheid, namelijk dat ik mijn zoon kwijt ben en me zorgen maak. In plaats van dat de twee agenten met hun ogen rollen en me een bon geven voor tegen het verkeer in racen zonder helm, nemen ze het bloedserieus. Zeg! Dat werkt dus helemaal niet geruststellend! Tot nu kon ik mezelf zeggen dat ik overdreef, ik bedoel, hij is pas een uur zoek. Vooruit, nog nooit zo lang alleen weggeweest, maar toch geen reden voor paniek. Of wel? Daar zijn dus geen normen voor, verdorie. De één zal zeggen: man, de mijne zie ik de hele dag niet, en de ander: jij laat je kind überhaupt alleen op straat, wat ben je voor een ouder? Nou en ik dacht het allemaal tegelijk. Ik vond dat ik me niet moest aanstellen, maar een deel van mijn brein verzekerde me luidkeels dat paniek wel degelijk het beste beleid was op dit moment.

De agenten vragen een signalement, hoelang ik hem niet gezien heb, en beginnen in hun microfoonding op de revers te praten. Of ik in mijn iPhone een foto van ’m heb. De agent geeft me zijn nummer, zodat ik hem een foto van de vermiste kan appen, die hij naar zijn collega’s zal sturen. Vermiste? Collega’s? Shit just got real.

Ik mag zonder bon verder. Panikerend, rondjes scheurend als een malle, totdat de agent me belt. Kind natuurlijk gevonden, gewoon honderd meter van huis. Dus, nogal wiedes. Ik sta hem op te wachten wanneer hij met zijn skateboard onder de arm en een grote grijns op zijn gezicht komt aanwandelen, vergezeld van twee agenten. Hij mocht voor in het busje zitten.

Toen ik klein was, was ik de hele dag de hort op. Met mijn huissleutel rond mijn nek zwierf ik door parken, bouwterreinen en winkelcentra. Waren mijn ouders gek of ben ik het geworden?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden