ColumnArthur van Amerongen

Allemaal dood, net als mijn Mokum

De Sint gaf mij een fijn presentje: Simon Carmiggelt gedundrukt. Vermoedelijk scoorde de Goedheiligman het beduimelde kleinood op de vlooienmarkt van Fuseta, want de hommage verscheen reeds op 7 oktober 2013, ter gelegenheid van Carmiggelts 100ste geboortedag.

Ik las het in één ruk uit, voor de loeiende houtkachel met de honden aan mijn voeten en een kruik medronho binnen handbereik terwijl winterstorm Elsa op mijn huisje beukte.

Carmiggelt gedijt goed bij pokkenweer, want zijn Amsterdam is zo mogelijk nog droeviger dan de Algarve rond Kerst. Gelukkig kan het mij niet treurig genoeg zijn en daarom vier ik baby Jezus’ kraamfeest bij de steenkoude Chinees in São Brás. Dineren met de jas aan, onder genadeloze tl-verlichting, omringd door halfdode Britten met vuurrode koppen vanwege couperose en winterzon. De gezelligheid komt van Chinese nieuwszenders op monsterlijk grote televisieschermen.

Carmiggelt is weleens de Nederlandse Tsjechov genoemd. Kunstbroertje Pieter Waterdrinker echter vindt dat Willem Elsschot of Maarten Biesheuvel die eer toekomt, maar dit terzijde.

Ik ben stinkend jaloers op Carmiggelts taalbeheersing – iets wat ik ook heb met Godfried Bomans en Simon Vestdijk – en smulde van verloren woorden als bokkengoed, commensaal, stoepier, zwijntjesjager en een vondst als ‘uitgedoofde losbol’.

Donder op met je hertalen, dacht ik, terwijl ik de medronho soldaat maakte.

(Knorrend deed de fles zijn plicht, schreef Carmiggelt ooit.)

Welke zotte cultuurbarbaar haalt het in haar achterlijke harses Louis Couperus in Nijntje-uitvoering te brengen, gezuiverd van kwetsende homoseksuele tendensen om de schrijver zodoende te ontsluiten voor ‘jongeren’?

Mens, ga de Koran hertalen!

Ik baalde dat ik het boekje uit had en ging op YouTube Kronkels kijken.

Toen ik die geveinsd schlemielige bakkes zag en In a Sentimental Mood van Duke Ellington hoorde, de herkenningsmelodie van het televisieprogramma, schoot ik vol.

Vrijwel dagelijks zag ik Carmiggelt door Amsterdam schuifelen. Hij hoorde bij het interieur van de stad, net als Harry Mulisch, de legendarische zwerver Theo Deken (heeft u misschien een gulden voor mij?), levend kunstwerk Fabiola, de skater in reetveter, Herman Brood op zijn step en Hans van Mierlo in zijn eeuwige regenjas.

Allemaal dood, net als mijn Mokum.

Ach, wat miezer ik over water onder de brug.

Op het omslag van de dundruk staat een citaat uit Carmiggelts gedicht ‘De minor poet’.

Daarin laat hij een dichter die in de hemel vriendelijk ontvangen wordt fantaseren:

Hij zag zich al gedundrukt door Van Oorschot/ en mompelde: ‘Ga ik dan niet teloor, God?’

Nee dus.

Beeld Gabriël Kousbroek
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden