Opinie

Alleen bindend referendum heeft zin

Alleen het bindend referendum kan onze democratie verbeteren, maar slechts voor een beperkt aantal onderwerpen, meent Frank Ankersmit. En met een geldigheidsdrempel van 51 procent, vindt Dirk Fuite.

Het Oekraïnereferendum Beeld Guus Dubbelman / Volkskrant

'Bindend referendum is verder weg dan ooit', aldus de kop boven het artikel op de voorpagina van de Volkskrant van 27 september. Het artikel vermeldt dat voormalig D66-Kamerlid Boris van der Ham spijtig opmerkte dat we nu 'het halfbakken (raadplegend) referendum overhouden terwijl het goede (bindend) referendum geslachtofferd wordt'. En een oud-Kamerlid van de PvdA sprak zelfs van 'demofobie'. De volksvertegenwoordiging is bang voor het volk, zo meent hij.

Misschien is het oordeel van beide Kamerleden iets te kort door de bocht. De angst van een goed deel van de Tweede Kamer voor het bindend referendum laat zich goed begrijpen. Allereerst blijkt het in de praktijk te kunnen leiden tot de verwerping van plannen die nu juist de voorstanders van het bindend referendum dierbaar zijn. Zoals het Oekraïne-referendum van vorig jaar. Belangrijker is dat de representatieve democratie en het bindend referendum op gespannen voet met elkaar staan. In de representatieve democratie heeft het parlement het laatste woord; het bindend referendum geeft dat aan het volk. Daar kunnen ongelukken van komen. Stel dat het Engelse parlement zich na 23 juni 2016 tegen de Brexit had verzet. Het resultaat was een totale staatkundige impasse geweest.

Maar het is volstrekt onjuist te concluderen dat daarmee het bindend referendum heeft afgedaan. Met het verdwijnen van de politieke ideologie heeft het parlement veel van zijn vroegere legitimiteit verloren. De band die de ideologie schiep tussen kiezer en gekozene werd sterk verzwakt - en daarmee heel de ratio achter het principe van de politieke vertegenwoordiging. Dat gegeven noopt tot een herwaardering van het idee van het bindend referendum. Anderzijds blijft ontegenzeggelijk waar dat er een onoverbrugbare kloof bestaat tussen de logica van de representatieve democratie en die van het bindend referendum. De hamvraag is: hoe los je dat probleem op?

Het stellen van die vraag is die beantwoorden: je moet ervoor zorgen dat beide nooit met elkaar kunnen conflicteren. Kortom, je moet allereerst vaststellen wat voor politieke problemen alleen passen in de machine van de representatieve democratie en welke andersoortige problemen je met een gerust hart aan de directe democratie over kunt laten.

We hebben de representatieve democratie nodig als de bevolking tegenstrijdige dingen wil of dingen waarvan de onbedoelde gevolgen niet te voorzien zijn. Maar weet een duidelijke meerderheid van het volk, of een groep burgers, wat zij wil, wat de langetermijnconsequenties ervan zijn en is zij bereid zowel de voor- als de nadelen daarvan ook zelf ten volle te dragen, dan is er geen enkel redelijk bezwaar tegen het volk hierover zelf te laten beslissen. Hetzij door een bindend referendum of anderszins.

Het is waar: dit is een aanzienlijke beperking aan de ruimte die het bindend referendum gegund kan worden. De onbedoelde gevolgen van de meeste beslissingen op het terrein van de 'grote politiek' zijn doorgaans niet of heel moeilijk voorspelbaar en moeten daarom voorbehouden blijven aan de representatieve democratie. Maar gaat het om de wens van bestuurders om alleen ter meerdere glorie van zichzelf enorme bedragen te spenderen aan projecten waar geen burger de zin van inziet, om de voodoo-economics waar provinciale en gemeentelijke besturen het patent op hebben, om gemeentelijke herindelingen, enzovoort, dan zullen zij door de burger gecorrigeerd moeten worden. Alleen al het besef van die bestuurderen dat ze dat gevaar lopen, kan hier wonderen verrichten.

Wat als het Britse parlement de uitslag van het Brexit-referendum had genegeerd? Beeld afp

De staatsrechtgeleerde heeft daarom de taak te komen tot een zo nauwkeurig mogelijke afbakening van wat op het domein van de representatieve democratie en op dat van de directe democratie thuishoort. Maar is die afbakening bij wet of anderszins eenmaal vastgelegd, dan is er ook geen enkele ruimte meer voor inmenging van de ene vorm van democratie in de andere. Werd een beleidsdomein toegewezen aan de representatieve democratie, dan is het beroep op de instrumenten van de directe democratie onmogelijk. Ligt iets op dat van de directe democratie, dan hebben degenen die de representatieve democratie bemensen, de beslissingen van het volk maar te accepteren. Ook als dat zou leiden tot veel geknars der tanden bij gedeputeerde staten of gemeentebesturen.

Het raadgevend referendum is daarom een staatsrechtelijk onding. Het bindend referendum is niet alleen de enige logische en consistente optie, maar die zou ook een zeer wezenlijke bijdrage zijn aan de verbetering van onze democratie. Een hernieuwde overdenking van het referendum is daarom wenselijk. Het debat over het bindend dan wel het raadgevend referendum is zinloos. De echte vraag is wat thuis hoort op het bordje van de representatieve dan wel de directe democratie, en waar de grens loopt tussen die twee.

Frank Ankersmit is emeritus hoogleraar intellectuele geschiedenis, Rijksuniversiteit Groningen.

Frank Ankersmit Beeld Joost van den Broek
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden