Opinie

'Alle aandacht zou gericht moeten zijn op het begin: cultuureducatie'

Opheffen van kwalitatief hoogwaardige kunstinstellingen, of verwachten dat zij via hun cultuureducatieve diensten de vraag naar kunst kunnen verhogen, is het probleem aan de achterkant willen oplossen, schrijft Pieter Ligthart.

Jetta Klijnsmavoor de Victory Boogie Woogie met een groep 4 Havo-leerlingen van de Johan de Witt ScholengroepBeeld ANP

Binnen een week nadat de Amsterdamse schouwburgdirecteur Melle Daamen de overproductie in de podiumkunsten meent te kunnen oplossen met de opheffing van Het Nationale Ballet, vaste bespeler van Het Muziektheater te Amsterdam, verschijnt er in de Volkskrant (V, 13 december) een uitstekend artikel over de stand van zaken in het cultuuronderwijs in Nederland van Karolien Knols. In dit artikel wordt de naam Melle Daamen niet genoemd en komt de term 'overproductie' niet voor. Wel de term 'treurigmakend', als kwalificatie van de kwaliteit van de cultuureducatie in het Nederlands basisonderwijs. En het zijn de Onderwijsraad en de Raad voor de Cultuur die in een rapport over dit onderwerp deze kwalificatie hanteren; niet de minsten dus.

In een reactie op Daamens geruchtmakende voorstel stelt kunsteconoom Pim van Klink dat Daamens verhaal een analytisch fundament ontbeert (O&D, 14 december). Volgens Van Klink kan Daamens probleemstelling worden verklaard uit een nadere economische beschouwing. Waar Daamen een beperking van de productie bepleit om de overproductie in de podiumkunsten tegen te gaan, stelt Van Klink dat, naast het elimineren van perverse prikkels, verschuiving naar de vraagzijde van eminent belang is. Hoe simpel kan de economie zijn? De disbalans tussen aanbod en vraag kan bij overproductie inderdaad op de twee genoemde manieren economisch worden opgelost. Maar hier gaat het om cultuurpolitiek.

Hoewel ik meer neig naar Van Klinks oplossing, deel ik niet zijn mening dat Daamen het probleem heeft geagendeerd. Al vanaf de eerste cultuurnota van d'Ancona (1989-1994), Investeren in Cultuur (1992), is het probleem van de overproductie in de podiumkunsten aan de orde gesteld. Karolien Knols wijst er in haar artikel bovendien op, dat alle bewindslieden na d'Ancona - toen Cultuur met Onderwijs en Wetenschappen in één ministerie waren ondergebracht en begrippen als 'synergie' en 'kruisbestuiving' rondwaarden langs de burelen van het nieuwe departement - hebben gehamerd op het belang van cultuuronderwijs en plannen hebben bedacht om de kwaliteit daarvan te verbeteren.

Stimuleringsregelingen
Plannen die beleidsmatig en financieel vooral door het directoraat-generaal Cultuur werden geïnitieerd en uitgevoerd en daarom buitenschools, dat wil zeggen buiten het onderwijscurriculum om, ten uitvoer moesten worden gebracht. Ook de plannen van de huidige minister van OC&W, Bussemaker, lijden aan dit euvel. Miljoenen van de Cultuurbegroting zijn besteed aan stimuleringsregelingen, maar heeft het iets opgeleverd? Karolien Knols komt tot de conclusie: weinig.

Alle voornoemde bewindslieden hebben tevens geprobeerd de vraagzijde te stimuleren door van de cultuurinstellingen te vragen meer geld en aandacht te besteden aan publiekswerving. Educatie en participatie zijneen kerntaak geworden. Maar heeft het iets opgeleverd? Het antwoord moet weer luiden: weinig.

'Eigen broek ophouden'
Terwijl de culturele instellingen verplicht zijn miljoenen van hun subsidiegelden - afkomstig van de cultuurbegroting - en veel tijd aan deze cultuurpolitieke taak te besteden, worden ze gehoond omdat ze 'hun eigen broek niet kunnen ophouden'. Dat dit met het businessmodel van grote culturele instellingen (elk seizoen weer nieuwe producties op zeer hoog niveau plus een kostbare en arbeidsintensieve educatieve taak) onmogelijk is, wordt in de discussie over hun subsidieafhankelijkheid nagenoeg nooit duidelijk gemaakt.

Verhoging van de vraag naar cultuur vereist een zeer lange adem. Nederland loopt op het terrein van de cultuureducatie ver achter. Het is het enige land in Europa dat niet beschikt over een curriculum cultuureducatie. De vermindering van de vraag naar kunst wordt vooral de kunstinstellingen (en kunstenaars) kwalijk genomen. Zij krijgen de schuld van een falende cultuurpolitiek, die zou moeten kunnen steunen op gedegen cultuureducatie in het basisonderwijs. Op hun schouders wordt een educatieve taak gelegd, waarvoor ze niet zijn opgericht en waarvan het de vraag is of die wel door dergelijke hoogwaardige, dure productie-instellingen moet worden uitgevoerd.

Opheffen van kwalitatief hoogwaardige kunstinstellingen, of verwachten dat zij via hun cultuureducatieve diensten de vraag naar kunst kunnen verhogen, is het probleem aan de achterkant willen oplossen, terwijl alle aandacht gericht zou moeten zijn op het begin: cultuureducatie, maar dan gefinancierd uit de onderwijsbegroting en ondergebracht in het onderwijscurriculum.

Pieter Ligthart was medewerker van de Directie Kunsten van het ministerie van OC&W.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden