Column Alfred Birney

Alfred Birney hoorde op Kreta sirenen zingen

Mijn naam is Meneer B. en ik heb de hete zomer van 1976 meegemaakt. Ik leefde met twaalf mensen in een verrot herenhuis, we deelden één ijskast en één douche. We stalen per ongeluk eten en drinken van elkaar en het kon ook wel gebeuren dat we per ongeluk van partner ruilden. Dat werd dan fatsoenlijk therapeutisch uitgepraat, want vechten was ordinair. Ondanks de hitte droeg ik Spaanse laarzen uit Brazilië en een spijkerpak uit de USA.

Ik woonde in Den Haag, voelde me toerist in Amsterdam en het buitenland was Duitsland. Een huisgenoot, met wie ik goed kon opschieten, vond dat ik maar eens naar Griekenland moest. Ik zag de aarde voor het eerst vanuit een vliegtuig en vond, net als de Schepper, dat het wel goed was zo.

In Piraeus namen we de boot naar Kreta. Slapen aan dek, het leven is geweldig. Rondtuffen in een gehuurde brik van niks, Chersonissos was een pleisterplaats voor gratis ouzo, je wachtte een uur op een bord eten en je durfde bijna niet met elkaar te praten, zo stil was het daar. We brachten het brik terug naar Heraklion, de remmen deugden niet, en we namen de bus.

Mijn reisgezel had een adres op een bierviltje van een Nederlandse schilder die op 3 kilometer van Sitia in de oostpunt van Kreta verbleef. Na het eten aan het haventje van Sitia wandelden we oostwaarts langs de ruige kustweg. Het was diep in augustus, de avond was al gevallen toen we in het gehucht aankwamen. Ergens ging een raamluik open. Een oude vrouw met een zwarte hoofddoek liet ons weten dat de schilder er niet meer verbleef.

De maan schitterde vol boven de zee, in de verte flikkerden de lichtjes van Sitia. De wandeling terug leek eindeloos. Ik maakte mijn reisgezel attent op stemmen uit zee. Hij mij op iets anders: een dierlijk gejank onder de massieve heuvelrug. We zagen een schim tussen dorre, schonkige bomen met een lantaarn slingeren. Mijn reisgezel vermoedde dat het om een maanziek persoon ging, die zich de nacht door huilde. De koorzang boven zee klonk hemels, ik wilde de weg verlaten en naar de waterlijn lopen. Mijn reisgezel hield me tegen en loodste me langs de maanzieke man, die ik jaren later terug zou vinden als hond in het gedicht ‘Spookje’ van J.C. van Schagen.

Dat was de favoriete dichter van Chris, mijn levensgezellin van toen, met wie ik Sitia later opnieuw bezocht. Ik wilde haar de koorzang boven zee laten horen. Er was alleen het geluid van de golven. Ook de maanzieke schim liet zich niet zien. Maar Chris vond het de wandeling van haar leven. Is ze er gaan dolen toen ze twaalf jaar later stierf?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.