Opinie

'Afpakken bijstand bij taalachterstand dom en slecht '

Als het kabinet echt iets wil doen aan taalachterstand onder bijstandsgerechtigden, moet het niet de bijstand afpakken maar taalcursussen aanbieden, schrijft promovendus Tamar de Waal.

Islamitische studente tijdens een taalles (illustratie)Beeld ANP

Als het aan staatssecretaris Klijnsma (PvdA) ligt, treedt vanaf 1 januari 2015 de wet 'Geen Nederlands, geen bijstand' in werking. De titel van deze wet, die nu bij de Raad van State ligt, vat zijn doel onomwonden samen: het kabinet wil personen die geen Nederlands spreken en de taal ook niet leren hun uitkering ontnemen.

Dit plan zit al jaren in de pijpleiding van de Nederlandse politiek. In 2010 diende toenmalig VVD-fractievoorzitter Stef Blok een gelijksoortig wetsvoorstel in om dit mogelijk te maken (naar mijn vermoeden als gevolg van de gedoogconstructie met de PVV, wat zou betekenen dat de sociaaldemocratische PvdA nu PVV-beleid uitvoert). En zowel toen als nu is dit wetsvoorstel stuitend onverstandig.

Als iemand moeite heeft met de Nederlandse taal, is het ontnemen van een bijstandsuitkering een inefficiënte en buitenproportionele oplossing voor dat probleem. Als het kabinet écht iets aan taalachterstanden wil doen, dan moet het een andere koers kiezen. Het huidige wetsvoorstel is visieloos en pakt vooral snoeihard uit voor migranten.

Welwillende interpretatie
Laten we de argumenten die spelen even op een rij zetten. Bij een welwillende interpretatie van het wetsvoorstel wil de overheid zich blijkbaar inzetten voor een groep mensen in de bijstand, die moeite heeft met het vinden van een baan omdat hun taalniveau te laag is. Een redelijk beleidsdoel, want in Nederland hebben ongeveer 1,1 miljoen mensen moeite met functioneren in de maatschappij door een taalachterstand. Deze groep bestaat relatief vaak uit vrouwen, laaggeschoolden, ouderen, migranten en mensen die niet participeren op de arbeidsmarkt.

Vooral voor de laatste groep is het inderdaad van belang iets aan hun (vaak verborgen) analfabetisme of laaggeletterdheid te doen, omdat voor hen het vinden van nieuw werk lastig is. Het ligt dan ook voor de hand dat de overheid hen zou begeleiden bij hun taalbevordering. Dit is zelfs een publieke investering die al snel winstgevend is, want het is lucratief mensen in de bijstand aan een baan te helpen.

Helaas staat deze simpele redenatie in schril contrast met de werkelijkheid. De Nederlandse politiek bezuinigt het afgelopen decennium juist stelselmatig op publiek aangeboden taallessen. Als gevolg hiervan is het aanbod aan taalcursussen grotendeels overgelaten aan de markt en zijn die cursussen doorgaans prijzig. Dit is vooral voor laaggeletterden met een bijstandsuitkering, die vaak ieder dubbeltje moeten omdraaien, een nadelige ontwikkeling. Zij belanden in een catch-22 waarin zij meer geld moeten verdienen om taallessen te kunnen betalen, om geld te kunnen verdienen in een taal die zij nog niet voldoende beheersen.

Het wetsvoorstel van Klijnsma doet niets aan deze situatie. Haar voorstel komt neer op het volgende: als iemand een uitkering aanvraagt, moet hij of zij basaal Nederlands spreken. Als de gemeente hieraan twijfelt mag een taaltest worden uitgevoerd. Bij een Nederlandse woordenschat die tekort schiet (of bij een weigering van deze taaltest), wordt de uitkering van de bijstandsgerechtigde met 20 procent gekort. Na een half jaar wordt het Nederlands opnieuw gecontroleerd. Als het dan nog steeds niet naar behoren is, wordt de uitkering opnieuw met 20 procent gekort. Als tot slot blijkt dat na een jaar nog steeds geen verbetering is geboekt, dan verliest de bijstandsgerechtigde zijn of haar uitkering volledig.

Als dit voorstel ooit echt wet wordt, schiet het onverantwoord tekort. Ten eerste spant dit beleid het paard achter de wagen. Door het recht op bijstand te koppelen aan een niveau van taalbeheersing, raken mensen verstoken van de minimale bestaansmiddelen met als doel hen een taal te laten leren. Maar wie gaat in godsnaam de Nederlandse grammatica uitpluizen, als er ook geld bij elkaar gesprokkeld moet worden voor een avondmaal voor jezelf en eventueel je gezin?

Precies om deze reden kraakte de Raad van State het eerdere voorstel van VVD-fractievoorzitter Blok in 2010. 'Het doel van integratie en het middel tot uitsluiting van de bijstand sluiten op deze wijze niet op elkaar aan', concludeerde de Raad toen. De keuze om het taalniveau van een bijstandsgerechtigde te verbinden met de toegang tot basale basisbehoeften is buitenproportioneel en ineffectief.

Ten tweede is het opvallend dat de staatssecretaris de nadruk legt op Nederlands spreken. Op deze manier blijft veel laaggeletterdheid die bijdraagt aan werkloosheid onderbelicht en verliezen vooral 'eerste generatie migranten' (als je die term al wilt gebruiken, want strikt genomen bestaan 'tweede generatie migranten' natuurlijk niet) hun uitkering deels of volledig. Of is dat juist de bedoeling? Als dat zo is, dan is het ronduit discriminatoir beleid, want dan ambieert het alleen om migranten die bijstandsgerechtigd zijn de armoede in te drijven.

Mocht het toch om taalverwerving gaan, dan is het belangrijk te beseffen dat migranten relatief vaak laaggeletterd zijn, maar absoluut gezien slechts een kwart van de laaggeletterden in Nederland vormen. Als het kabinet dus oprecht iets wil doen aan taalachterstanden bij sommige bijstandsgerechtigden, mikt ze met het huidige wetsvoorstel visieloos mis. De echte oplossing is veel simpeler: doelgericht beleid voeren dat taalverbetering stimuleert en aanbiedt aan wie dat nodig heeft. Dat is effectiever, humaner en niet discriminatoir.

Tamar de Waal promoveert aan de UvA op de integratie- en naturalisatiewet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden