essay

Aan de debuterende schrijver: schrijf en droom, maar houd wel rekening met tuimelkruid

Bij het begin van de Boekenweek schrijft Emy Koopman een brief aan de ploeterende, debuterende schrijver. Aan wie nog geen naam heeft, maar die hoopt te krijgen.

Emy Koopman
null Beeld Jon Krause
Beeld Jon Krause

Beste beginneling,

Lieve fantast, vadermoordenaar, hemelbestormer, nestbevuiler,

Geachte schrijver die nog moet debuteren,

Kon ik je maar welkom heten zonder te aarzelen. Wees welkom in dit clubhuis: daar links staat de rode wijn, de wc’s vind je in de kelder, net achter de thrillerschrijvers, de tafel hierboven vooraan is voor de Libriswinnaars, bij het raam zitten de jonge talenten met mediapotentieel, en die troon met ‘Harry’, ‘Gerard, ‘Willem Frederik’ en ‘Arnon’ erin gekerfd behoort momenteel toe aan Marieke Lucas. Maar je merkt het al, je bent niet de enige die naar binnen wil, en ook hierbinnen is het een gedrang, een stoelendans. Daarbuiten zijn jullie met ongeveer een miljoen, heb ik me laten vertellen, hierbinnen lopen zo’n 18 duizend schrijvende mensen rond, waaronder 865 literaire auteurs. Van die literairen zijn er 43 populair genoeg om zich enkel met boekverkoop een vaste zitplaats te veroorloven. Ik kan je alvast verklappen: ik hoor niet bij die 43.

Een gevoel van ruimtegebrek, van schaarste, kan onbarmhartig maken, ongastvrij. Het is verlokkelijk om je te ontmoedigen: begin er toch niet aan, ga weg, vol is vol. Maar ontmoedigingen zullen je niet van een pad af brengen als je een doel voor ogen hebt, ze zullen er juist toe leiden dat dat doel begeerlijker wordt, terwijl je je ondertussen wel onwelkom gaat voelen en nerveus. Ik wil je niet ontmoedigen, ik wil je informeren, je vertellen wat ik graag had geweten voordat ik hieraan begon, zodat je verwachtingen overeenkomen met wat er te verwachten valt.

Functionele schroom

Ga even rustig zitten op het kapot getrappelde gras. Jij schrijft – tot zover is er niets aan de hand. Het probleem begint zodra je ook wil dat wat je schrijft door anderen wordt gelezen, dat het wordt gepubliceerd, dat je boek in de winkels komt te liggen. Misschien ben je iemand die (nog) niet toegeeft dat je dat zou willen, dat deed ik ook niet tot het moment dat het een reële mogelijkheid werd. Zolang je nog kan geloven dat je iets niet werkelijk wil, kun je ook niet falen als je het niet krijgt. Dat is geen (of: niet alleen) lafhartige onzekerheid, die schroom is functioneel: in de tijd, de ruimte die je zo voor jezelf schept, kun je experimenteren zonder de druk te voelen dat wat je op papier zet door kritische ogen zal worden ontleed.

Zie je de afzonderlijke grassprieten hier, het mos dat ertussen groeit? Kun je het beschrijven? Oefen. Het voordeel van schrijven is dat je het heel lang stiekem kan blijven doen, buiten ieders zicht. Maak daar gebruik van, laat je niet wijsmaken dat schrijven enkel talent is – geen mens spreekt bij geboorte in originele, ontroerende volzinnen.

Misschien heb je al wél toegegeven mee te willen spelen, ben je het stadium van het fantaseren over een welwillend publiek voorbij en ben je gaan aftasten wat jouw verbeeldend en talig vermogen waard is volgens juryleden van schrijfwedstrijden en tijdschriftredacties. Een cruciale stap. Het oordeel van daadwerkelijke anderen gaat nu meewegen, je zal jezelf nu steeds moeten foppen dat niemand je zinnen gaat lezen, dat jij alleen maar schrijft wat jíj wil schrijven.

Je kan die tussenstap natuurlijk overslaan, en je vrije tijd helemaal besteden aan jouw ene meesterwerk. Je kan het manuscript daarvan ongevraagd opsturen naar uitgeverijen en hopen dat het uit de slush pile wordt opgevist, zoals bij Rob van Essen (het kán). Dat is een dappere, maar geen kansrijke handeling. Wat voor jou je hart en ziel is, is voor de ontvanger wéér een ongewenst geschenk van een onbekende. Je maakt meer kans om ergens tijdens het haperende proces van naar buiten treden – met een verhaal hier en een optreden daar, geen respons hier en een derde prijs daar – ineens te worden opgemerkt door een uitgeverij, waarna je ze dat manuscript waarop je al jaren ploetert voor de neus kan leggen. Slordigheden waarvoor ongevraagd opgestuurd werk zou worden afgeserveerd wegen dan minder zwaar, je hebt immers al vertrouwen gewonnen.

Zelf heb ik zo’n zeven jaar gerommeld in de marge, gepubliceerd in blaadjes en op websites die openstaan voor bijdragen van onbekende beginnelingen (eerst 8weekly, daarna hard//hoofd) tot er acquirerend redacteuren ‘koffie’ begonnen aan te bieden en ik een contract mocht tekenen. Dat had sneller kunnen gaan als ik op een Amsterdams gymnasium had gezeten en de juiste contacten al had klaarliggen. Het was waarschijnlijk trager gegaan als ik ouder dan eind twintig was geweest. Je kan klagen over alle oneerlijke olifantenpaadjes naar het boekcontract, over het feit dat een boek als ‘product’ wordt gezien en de schrijver als ‘merk’, waardoor mensen met een persoonlijkheid, smoel of achtergrond die zich gemakkelijk laat verkopen in het voordeel zijn. Maar hoeveel haast je in al je ambitie ook hebt, en hoe frustrerend het dan ook is als anderen eerder arriveren, als het op debuteren aankomt, kun je beter de tijd nemen. Laat jouw eerste boek niet zomaar een boek zijn.

Voor een debuut is namelijk relatief veel aandacht. Dat zou je wellicht niet denken, omdat wie debuteert doorgaans geen ‘naam’ heeft. Maar tenzij je debuut een succes wordt, of je je op een andere manier in de kijker hebt weten te spelen, heb je bij je tweede boek evenmin een naam, en tweede boeken van mensen zonder naam worden nog minder snel opgepakt. Kranten zijn over het algemeen welwillender bij debutanten – niet alleen wil iedereen dat aanstormende talent hebben ontdekt, er bestaat ook een ongeschreven fatsoensregel onder recensenten om een debuut niet te bespreken als je er niet enthousiast over bent. (Die fatsoensregel wordt vooral geschonden als je boek elders al aandacht heeft gekregen.) Bovendien zijn er extra prijzen waarnaar een debuut kan meedingen, buiten de reguliere literaire prijzen waarvoor je ook in aanmerking komt.

En toch zal het debuteren je hoogstwaarschijnlijk tegenvallen - als je iemand bent die droomt van een droomdebuut tenminste. Het droomdebuut, waarvan heel Nederland in katzwijm ligt, dat zowel de lof van de kranten krijgt toegewuifd als de bestsellerlijsten haalt, is als een sneeuwpanter: even indrukwekkend als zeldzaam. Meer dan twee droomdebuten per jaar kunnen we als land, media, publiek niet aan.

Droom vooral van een droomdebuut, maar houd rekening met de realiteit van krekels en tuimelkruid. De stilte van recensenten - hartverscheurender dan die van een wispelturige geliefde. Nadat mijn debuut verscheen, verkeerde ik bijna een maand in een staat van steeds minder goed te verbergen wanhoop. Ik had geluk: toen ik al bijna niet meer durfde te hopen, doorbrak NRC de stilte met een grondig, lovend stuk. Het was de redding voor het boek; na NRC volgden ook de lokale kranten.

Of die eerste roman ook goed heeft verkocht? Uiteindelijk ongeveer 1.900 exemplaren. Dat is hoger dan het gemiddelde voor een literair debuut – volgens literair agent Willem Sibbeling ligt dat onder de duizend –, maar minder dan het bereik van een hetzerige tweet. En niet genoeg om de huur van te kunnen betalen. Voor wie graag rekent: bij een standaardcontract gaat 10 procent van de omzet (exclusief btw) naar de auteur, pas vanaf vierduizend exemplaren wordt dat 12,5 procent. Vergeet het beeld van de schrijver die de godganse dag wijn drinkt in een bruin café en zet er het beeld voor in de plaats van iemand die dubbele werkweken draait, bijklussend waar het maar kan. Dat geldt voor veruit de meesten van ons. Daartegenover staat een handvol bestsellerauteurs naar wie het gros van de inkomsten stroomt.

Met die kapitalistische realiteit valt redelijk te leven zolang je een alternatieve bron van inkomsten hebt en ondertussen de hoop levend houdt dat je bij een zoveelste boek ineens een doorbraak zal meemaken, zoals Rob van Essen (het kán). Het kost alleen wel wat moeite om je niet te storen aan deze perverse zelfversterkende cirkel: schrijvers van wie de uitgever hogere verkoopcijfers verwacht, krijgen een veel ruimer voorschot, zij kunnen meer tijd vrijmaken om een goed boek te maken, een boek waarop bij voorbaat al meer pr-kracht is ingezet, en zij hebben dan ook een aanzienlijk grotere kans op positieve media-aandacht, betere recensies en hogere verkoopcijfers, waardoor hun volgende boek weer de best mogelijke uitgangspositie heeft. In zo’n systeem is het niet vreemd dat je overal steeds dezelfde namen tegenkomt.

Loop nou niet weg, blijf nog even zitten. De krachten van de marktwerking worden bijgestuurd door het Letterenfonds: hun subsidies geven ademruimte aan schrijvers waarvan critici zeggen dat ze moeten doorgaan, maar die door het publiek nog onvoldoende zijn ontdekt. Mede dankzij het Letterenfonds kon ik een tweede boek maken, en een derde. Al is dat wederom deels een kwestie van geluk. Jaarlijks maken er zo’n veertig mensen hun literaire debuut, terwijl er maar acht startersbeurzen te verdelen zijn. Elk jaar weer ontvangen tientallen mensen die prachtig kunnen schrijven een afwijzing op hun aanvraag.

Dit is wat het is, dit is het wereldje. Deze harde competitie blijft nodig zolang er meer wordt geschreven dan er wordt gelezen.

En als je echt wil schrijven, dan maakt het je niet uit hoe mager je kansen zijn, hoe precair het schrijversbestaan. ‘Ik kan niet anders’, antwoordt schrijver na schrijver op de vraag waarom er in vredesnaam moet worden geschreven. Ik geloof daar ook in, dat ik niet anders kan, dat ik mijn gedachten, ervaringen, angsten zonder het schrijven niet geordend zou krijgen, dat ik mijn grip op het leven zou verliezen. Is dat waar, of is het een mystificatie, een romantisering – typisch iets wat een schrijver zou zeggen? Ik weet het niet zeker, ik weet alleen dat het willen schrijven een drang is. Een overlevingsdrang – misschien. Een scheppingsdrang – zeker. En: een geldingsdrang.

Het probleem begint zodra je wil dat wat je schrijft ook door anderen wordt gelezen. Wil je dat, weet je dat zeker? Is dat belangrijker voor je dan bestaanszekerheid? Wil je jezelf en je waardigheid op het spel zetten, wil je – om Libriswinnaar Sander Kollaard te parafraseren – naakt op een podium gaan staan en hopen dat er iemand kijkt? Ben je in staat je rug recht te houden als je wordt bespot? Is de mogelijkheid dat dat zal gebeuren het je waard om je stem te laten klinken? Wees dan welkom, tussen al die anderen die de critici willen horen juichen. Al die anderen die zich steeds weer moeten inprenten dat niet iedereen die ‘een goed boek’ heeft geschreven in gelijke mate zal worden gezien, gehoord, gewaardeerd.

‘Alle schrijvers voelen zich miskend’, zei Auke Hulst een aantal jaar geleden – voordat hij het boek publiceerde waarmee hij voor de Libris werd genomineerd – in het inmiddels opgeheven tv-programma VPRO Boeken. ‘Het blijft hanteerbaar als je dat weet van jezelf.’

Weet het van jezelf, lieve, lastige, ambitieuze beginner. Als je er klaar voor bent, bestorm dan dat clubhuis, in het volle bewustzijn dat je erkenning zoekt en dat wat je ook aan erkenning zal krijgen – een contract, een debuut, een goede recensie, een nominatie, een prijs – onvermijdelijk en hopeloos tekort zal schieten. Weet dat je niet de enige bent. Zoek je zusters, je broeders, en schrijf alsof er niemand meeleest. Weet dat je nooit helemaal zal worden gekend of begrepen; dat kan niet en dat hoeft ook niet. Het gaat om het streven, het gaat om het scheppen, het gaat om het schrijven.

Emy Koopman is schrijver en journalist. Ze debuteerde in 2016 met Orewoet, dat werd genomineerd voor de Bronzen Uil en de Fintro Literatuurprijs. Dit jaar verscheen haar derde boek, Tekenen van het universum: verslag van een obsessie.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden