'Als je een gedicht leest, blijkt het over oneindige dingen te gaan'

Boekenweek

Guido Gezelle, wie kent hem nog? Des te gedurfder, vindt Arjan Peters, dat Willem Jan Otten een essay heeft gewijd aan een gedicht van de 19de-eeuwse priester.

Beeld Hilde Harshagen & Antonia Hrastar

Stoutmoedig is het woord: in zijn bundel Droomportaal (Van Oorschot; 17,50 euro) heeft Willem Jan Otten een essay opgenomen over het gedicht De ramen van Guido Gezelle. Alsjeblieft. Een beschouwing over een gedicht van een negentiende-eeuwse Vlaamse priester.

Zoiets spreekt niet vanzelf. Een week geleden vertelde ik een tv-interviewer iets over de overeenkomsten tussen Een vlucht regenwulpen (1978) van Maarten 't Hart en Terug tot Ina Damman (1934) van Simon Vestdijk; romans uit het begin van een schrijverschap, die het oeuvre als het ware hebben ontkurkt.

Allebei romans ook over trouw aan de onbeantwoorde jeugdliefde van de middelbare school, met onhandige jongens die, al was het maar even, de schooltas van hun idool willen dragen.

'Heel mooi', hoorde ik tegenover mij, 'maar ik ben bang dat alle kijkers op dit moment zijn afgehaakt. Vestdijk, die kent niemand meer.' En tot de cameraman: 'We beginnen even opnieuw.'

Daarom is het goed dat Willem Jan Otten de durf heeft om een essay te schrijven dat De katholieke obsessie heet, over het schitterende gedicht De ramen van Gezelle. 'Een gedicht heeft altijd betekenis', begint Otten, die vast essayeert in een werkkamer waar hij is omgeven door de grootste poëzie van de afgelopen eeuwen.

Of gaat zijn stelling ook op voor erbarmelijk gestoethaspel dat geregeld als poëzie wordt gepubliceerd? Het is voorstelbaar. De betekenis kan dán zijn dat we een ziel in nood zien: help, ik kan het niet.

Gezelle schreef een gedicht over gebrandschilderde ramen met afbeeldingen van heiligen, 'gemiterd en gestaafd,/ gemartelaard, gemaagdekroond,/ gehertoogd en gegraafd'.

De ramen zijn voortgekomen uit licht en vuur, en als het zonnelicht op een scherf valt, dan word je verblind en gaat alles weer in dat vuur op: 'voortaan/ geen palmen, staven, stolen meer,/ 't is alles henen, tot/ één helderheid gesmolten, in/ één zonnelicht - in God.'

Otten demonstreert hoe Gezelle zijn taal liet bewegen, en hoe in dit gedicht het concrete (de ramen) en het mysterieuze (het licht) bij elkaar horen. De gebrandschilderde ramen zijn tastbaar én symbool.

Een gedicht 'betekent meer dan we denken wanneer we het lezen', betoogt Otten, en dan heeft hij het volgens mij over goede gedichten. En misschien zelfs wel over goede literatuur in het algemeen. Want ook een roman kan dat effect hebben. En beschouwingen die het onderwerp overstijgen.

Dus wat is het specifieke van een gedicht? Ik kan me niet voorstellen dat ik de eerste ben die dit zegt, maar zou het kunnen zijn 'dat het snel uit is'?

Je overziet een gedicht meteen, het is eindig. Maar als je het leest, blijkt het over oneindige dingen te gaan. Dat contrast geeft een gedicht zijn geheel eigen spanning.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.