Foto genomen bij een fotostalletje bij de rivier in Tumen. De persoon in het midden wilde niet herkenbaar in de krant.
Foto genomen bij een fotostalletje bij de rivier in Tumen. De persoon in het midden wilde niet herkenbaar in de krant. ©

In het Chinese stadje Tumen is het makkelijk om de buitenlanders te herkennen

Bericht uit China

Vier politiemannen rennen hijgend achter mijn fotograaf aan. Ze schreeuwen in hun telefoons. 'We hebben de journalisten gevonden!' Stelletje aanstellers. Alsof het zo moeilijk is: we zijn de enige buitenlanders in Tumen, een afgeleefd stadje aan de grens met Noord-Korea. Mijn collega steekt met zijn twee meter bovendien met kop en schouders uit boven de Chinese toeristen die selfies maken in het park.

De politiemannen dribbelen om ons heen om te verhinderen dat we verder lopen. Zijn we aangehouden? Ze geven geen antwoord en doen alsof ze geen Chinees verstaan. Dat hoort bij het rituele spel tussen journalist en autoriteit: zij werken ons de stad uit, wij proberen ons verblijf te rekken.

In theorie mag ik bijna overal in China zonder restricties werken, mits de geïnterviewde toestemming geeft. Dat recht staat op een uitvouwkaartje van onze correspondentenvereniging dat ik altijd bij me heb, want in de praktijk moet ik het vaak bewijzen.

Vrijwel direct na aankomst zijn we al ondervraagd door gewone politie, grenspolitie, propaganda-autoriteiten en mannen in burger die zich niet bekendmaken, maar waarschijnlijk van staatsveiligheid zijn. Een babbeltje ter verwelkoming, aldus de politie. Hadden ze daarna volgauto's ingezet, dan konden ze ons ontspannen in de gaten houden, maar ze hebben besloten de klus te voet te klaren. Overal duiken zwetende dienstkloppers op, die luidkeels hun meerderen melden dat ze ons hebben gevonden.

Een grimmige werkelijkheid uit een andere wereld die vlak bij de plek is waar tientallen toeristen over een rivierpromenade flaneren

Dit is voor onze eigen veiligheid, verklaart de politiechef: 'Aan de grens kunnen zich onverwachts gevaarlijke situaties voordoen.' Bij Noord-Koreaanse kernproeven voelen ze in Tumen de trillingen. Hier is de grensrivier zo ondiep dat Noord-Koreaanse vluchtelingen vroeger bij bosjes overstaken. Tegenwoordig staat er een stevig hek met prikkeldraad aan beide kanten van de rivier en heeft Tumen een heus detentiecentrum. Noord-Koreanen die in China tijdens een vluchtpoging worden gepakt, zitten hier tot hun uitlevering. In hun vaderland wacht de dood: langzaam, door verhongering in een strafkamp of snel, door executie.

Een grimmige werkelijkheid uit een andere wereld die vlak bij de plek is waar tientallen toeristen over een rivierpromenade flaneren. Kinderen spelen in een draaimolentje, op eennieuw plein wordt een muziekfestival gehouden. Het opgebroken stoepje is keurig met linten afgezet. 'Deze bouwput is onveilig. U moet weg', zegt de politiechef. We blijven welkom, maar we mogen geen foto's maken of met mensen praten.

Wat wel mag: een kaartje kopen - kost 3 euro - voor de toeristenattractie, de brug naar Noord-Korea. We komen halverwege voor we eraf geplukt worden. Ongeüniformeerde mannetjes hollen naar het midden van de brug. Als ze hun positie hebben ingenomen, mogen wij er weer op. De mannen dagen ons uit de rode lijn die het niemandsland markeert over te stappen. 'Je kunt gemakkelijk Noord-Korea binnenlopen.' Dat doen we maar niet.

Het wordt ons te gortig als paniekerige grenspolitie ons om de vijftig meter aanhoudt om de mobiele telefoons op illegaal gemaakte foto's te controleren, terwijl om ons heen iedere toerist non-stop foto's van de grens maakt. Opstandig laten we ons vereeuwigen door de fotograaf van een souvenirstalletje, een rudiment uit het pre-smartphonetijdperk. We verlaten Tumen met een overbelicht kiekje en een tros begeleiders.

Marije Vlaskamp is Volkskrant-correspondent in China.