A.F. Th. van der Heijden.
A.F. Th. van der Heijden. © ANP

Tonio van A.F.Th. van der Heijden: 'Vuistslag op een blinde muur'

'Tóóóóóóó-niii-ióóóóó...!' Met deze brul van ontzetting begint het requiem dat A. F. Th van der Heijden maakte voor zijn verongelukte zoon. In de finale richt de schrijver zich op en blijkt een tovenaar.

(Dit is de recensie van Tonio die Volkskrant-journalist Arjan Peters in de Volkskrant publiceerde op 28 mei 2011)

Om te beginnen: er zijn woorden voor. Bij alle onbevattelijks is dat een wonderbaarlijkheid als bonus. Het vorig jaar verloren A.F.Th. van der Heijden en zijn vrouw Mirjam Rotenstreich op Eerste Pinksterdag hun zoon Tonio (15 juni 1988 - 23 mei 2010), student Media & Cultuur en begaafd fotograaf, aan de gevolgen van een verkeersongeluk in nachtelijk Amsterdam. Precies een jaar later verschijnt het vuistdikke Tonio, getooid met de ondertitel 'een requiemroman'. Een niet bestaand genre, als om de uitzonderlijkheid van deze situatie te accentueren.

Zo vaak als Van der Heijden, die zijn uitgevers en lezers rustig twintig titels in het vooruitzicht kon stellen, in zijn ongeremde ambitie kon speculeren over het schrijven van 'het onmogelijke boek', nooit heeft hij hier aan gedacht: een eerbetoon aan zijn eigen zoon, aan wiens leven een bruut einde kwam, een maand voordat hij 22 jaar zou worden.

Maar dit is het onmogelijke boek. Het noodlot heeft hem hiertoe uitgedaagd. Tonio is de inlossing van een verplichting. Van der Heijden kan niks meer, nadat hij en zijn vrouw op die zwarte zondagochtend naar het ziekenhuis zijn gebracht, waar hun zoon nog op de Intensive Care aan de beademing ligt, maar enkele uren later door het medisch team moet worden opgegeven.

Het werk aan de roman waar hij in die dagen mee bezig was, stokt. In plaats daarvan begint hij aan een journaal van rouw, een verslag van pijn, gemis, van zelfverwijten ook ('Zijn ontijdige dood bewijst dat ik de zaken verkeerd heb aangepakt, met te weinig inzet, en dat ik belangrijke dingen over het hoofd heb gezien'), en van woede.

Een rampenscenario waar de schrijver, bedreven in het uitdenken van complexe intriges en onmogelijke werkschema's, niets mee kan. De schrijver schrijft niet meer, hij maakt dit requiem, en dat is geen schrijven, maar overleven.

Brul
Onder die omstandigheden ontstaat Tonio. Het boek opent met een kreet: 'Tóóóóóóó-niii-ióóóóó...!' Daar resoneert veel in mee: het is een aanroeping, een schreeuw achterom, een terugroeping, de brul van ontzetting die een lawine van 633 pagina's veroorzaakt, de vuistslag op een blinde muur. In de verte galmt er zelfs avontuurlijkheid in na: begon de ridderserie Ivanhoe, naar het boek van Walter Scott, niet ook met zo'n roep die een oproep was? We gaan beginnen.

En zo komt Tonio toch de literatuur binnen. Eigenlijk is dat met zijn naam (naar Tonio Kröger van Thomas Mann) al gebeurd, en met het omslag: voor een groepsopdracht op de Foto-academie heeft Tonio zich in 2006 vastgelegd als Oscar Wilde. 'De Nederlandse literatuur en ik, dat is een ramp', kon de beeldbeluste jongen tegen zijn vader zeggen. Het leek er dan ook op, dat Tonio's aanwezigheid in de letteren beperkt zou blijven tot ontwapenende figurantenoptredens: als kind 'samen signeren' naast vader Adri. Later: gewapend met een camera met hem mee naar het Boekenbal.

Maar nu neemt Tonio voorgoed een plaats in tussen de requiems die schrijvers en dichters zich nooit hadden gedacht te zullen maken - die voor hun eigen kind - , van Vondel en Van Eeden tot Jan Wolkers, van Vasalis en Hemmerechts, Esther Jansma, Hester Knibbe, Anna Enquist en P.F. Thomése tot Jeroen Brouwers. Met Boudewijn Büch, die roerend schreef over zijn dode kind, dat er in werkelijkheid niet bleek te zijn geweest, als buitenissige variant.

Van der Heijden wil er geen verhaal van maken. Hij wantrouwt zijn vakmanschap, zoals hij het geloof in al zijn werk met terugwerkende kracht verliest - daarmee immers heeft hij dit verlies niet kunnen tegenhouden. Terwijl hij ooit zijn vrouw beloofde zijn zoon altijd te zullen beschermen, en dat schrijven iets werd voor 'in de pauzes van het vaderschap'. Hij heeft gefaald.

Loze praat
Wat hij hier schrijft is geen verhaal. Het is het vlees en bloed, en het zijn de tranen, van de werkelijkheid die met rechtvaardigheid niets te schaften heeft. Die werkelijkheid bestaat uit schuldgevoel, veel drinken, praten met de vrienden en vriendinnen die Tonio in zijn laatste dagen en uren (hij reed die nacht met de fiets van een feest uiteindelijk alleen terug naar huis) hebben gezien, reconstrueren, herinneringen verzilveren in woorden, een grafsteen uitzoeken, en zich in verbetenheid teweerstellen tegen de goedbedoelde loze praat van derden. Niks rust zacht. Niks slijt. Het zal alleen maar erger worden.

Van der Heijden spreekt zijn zoon rechtstreeks toe, beantwoordt brieven, en doet verwoede pogingen de verlegen en vriendelijke Tonio terug te halen. De jongen die na een kibbelpartij van zijn ouders langs de neus weg kwam informeren: 'Zijn jullie er een beetje uitgekomen?'

De zinnen staan er soms hulpeloos bij, alsof zelfs meester-stilist Van der Heijden de clichés niet kan omzeilen: 'Alles zal voortaan in het teken van Tonio staan, opdat we hem niet zullen vergeten'. De requiems die hij in voorgaande jaren heeft geschreven (over zijn ouders, een neef, twee jeugdvrienden, en over zijn vriend Jean-Paul Franssens, die hij in 2002 condoleerde met het verlies van diens zoon) hebben hem geen stramien geschonken om deze opgave zonder kleerscheuren te volbrengen.

Ervaring helpt niet. Deze onderneming is in alle opzichten eenmalig.

Mijn leven is kapot, het gaat niet meer. Dat is de teneur van het proza dat bijwijlen wankelt en zwalkt, parallel aan de gemoedsschommelingen van de schrijver. Geen lezer zal helemaal ontkomen aan de vrees door pathetiek te worden gegijzeld: mag je deze weerloze schrijver zeggen dat het, wat jou betreft, wel iets minder had gekund?

Afslag
Na 500 pagina's is die vrees verdampt. De schrijver richt zich op. In een reconstructie van Tonio's laatste eenzame fietstocht spreekt hij de jongen zacht toe, zodat dat die zijn route alsnog verlegt: in plaats te koersen naar het Leidseplein, de binnenstad in (waar de dood hem wacht), neemt hij de eerdere afslag naar het huis van zijn ouders, waar hij heeft besloten te gaan logeren. Te moe om verder te gaan.

Dit is de tovenaar Van der Heijden ten top: fictie, maar van een diepe waarheid getuigend - de wens en de liefde die uit deze passage spreekt, met de fietstocht die zijn zoon helaas niet maakte, is verscheurend. De verstilde voorbode van een majestueuze finale: op 13 juli 2010 bezoeken de schrijver en zijn vrouw de plek waar Tonio is aangereden, terwijl op hetzelfde moment het Nederlands elftal vlakbij wordt gehuldigd door een dierlijk loeiende meute oranje idioten. Clandestien rouwen in een menigte die feest viert, nadat 'we' de WK-finale nog verloren hebben ook. Het contrast kan moeilijk schrijnender, en in de schildering daarvan keert de aloude kracht in Van der Heijdens penseelvoering terug.

Later die dag zijn er de filmbeelden. En ze bekijken thuis nóg een film: met beveilingscamera's van het casino aan de Leidsekade blijkt de aanrijding in de vroege ochtend van Eerste Pinksterdag 2010 te zijn vastgelegd. Van der Heijden laat ons meekijken. Zelfs voor die beelden vindt hij woorden, in zijn behoefte om intensief voor zijn zoon te blijven zorgen. Hij heeft niet gefaald.