Theo Sontrop (1931-2017) - Gentleman-uitgever van de Arbeiderspers

'Alles wat vreemd en onverkoopbaar is in de reeks komt van mij'

Zo Theo Sontrop iets was, was hij een lezer. Hoewel hij de dichter is van het kleinste poëtische oeuvre van Nederland - het weerspiegelde zijn eigen formaat Napoleon, 'ik wantrouw iedereen boven de 1.67' - en een roemruchte carrière als literaire uitgever in de Amsterdamse grachtengordel kende, keerde hij daarnaar altijd terug: lezen.

Theodorus Alexander Leonardus Maria Sontrop werd op 2 mei 1931 geboren als zoon van een katholieke huisschilder. Hij studeerde in Utrecht Frans, maar maakte die studie niet af. Daar had hij geen tijd voor, tussen de honderden boeken die hem gezelschap hielden in zijn schitterende kamer aan de Kromme Nieuwegracht 42.

Die eerste gedichten wemelen van de verwijzingen en blinken uit in ironisch woordspel

Tot zijn Utrechtse studievrienden behoorden Jan Emmens, William (later Dirkje) Kuik en Pierre Vinken, de latere directeur van Reed-Elsevier. Via Emmens kwam Sontrop terecht in de redactie van Propria Cures, waar hij naar eigen zeggen 'de luiste redacteur ooit' was. Een gotspe, want hij las razendsnel en met een scherp oog. Maar Sontrop was legendarisch traag als dichter. Jaren kon hij zitten kniezen op een kwatrijn. Voor zijn eerste gedichten - in zijn lange leven zijn er slechts vijftig gepubliceerd - kreeg hij een contract voorgelegd door Geert van Oorschot. Die gedichten wemelen van de verwijzingen en blinken uit in ironisch woordspel.

Sontrop zal waarschijnlijk niet worden herinnerd als dichter, maar zeker als uitmuntende literaire uitgever. In de tijd dat de uitgevers nog heren waren die hun persoonlijke stempel drukten op een fonds werd dat erudiete ventje aangesteld als hoofdredacteur ('dat klinkt aardig, maar ik was in feite de enige redacteur') van J.M. Meulenhoff. Dat fonds verrijkte hij met buitenlandse auteurs als Philip Roth, debutant Maarten Biesheuvel en essayist Rudy Kousbroek.

In 1972 werd Sontrop de uitgever van De Arbeiderspers, het voormalig socialistische bolwerk dat hij steevast 'De Arbeiderspest' noemde. Daar werkte Sontrop succesvol samen met hoofdredacteur Martin Ros, die zijn volstrekte tegendeel bleek. Ros was de gulzige allesvreter, Sontrop de fijnproever. De één de Balzac, de ander de 'Stendhal van de Arbeiderspest'.

Hij deed auteurs van andere uitgeverijen geen 'oneetbare voorstellen' en weigerde troep, pulp of vuilnis uit te geven voor de poen

Sontrop stuwde dat 'uitgeverijtje van niks' op tot grote hoogten. Hij gaf het werk van Gerrit Komrij, Cees Nooteboom en Jeroen Brouwers uit met fraaie omslagen. Hij zag onmiddellijk de kwaliteit van F.B. Hotz en Geerten Meijsing en liet hen debuteren. En in de prachtig verzorgde Privé-Domeinreeks bracht Sontrop geliefde auteurs als Flaubert, Cioran Zweig en Pessoa. 'Alles wat vreemd en onverkoopbaar is in de reeks', zei Sontrop, 'komt van mij.'

De gentleman-uitgever werd in het begin van de jaren negentig gedwongen te vertrekken, toen hij was terechtgekomen in een boosaardige tijd met hoge rendementseisen en moderne managers, een woord dat Sontrop uitsprak op z'n Frans, als 'ma-na-gér'. Hij wenste geen 'roofridder' te zijn, deed auteurs van andere uitgeverijen geen 'oneetbare voorstellen' en weigerde troep, pulp of vuilnis uit te geven voor de poen.

Sontrop trok zich terug op Vlieland. Af en toe zochten 'zijn' schrijvers hem daar op voor een snedig oordeel, een stevig glas en gebeitelde anekdoten. Hij was een briljant conversationalist. De helft van wat moderne literaire uitgeverijen uitgaven wenste hij 'nog met geen tang' aan te pakken. Een nieuwe dichtbundel van eigen hand werd aangekondigd, maar verscheen nimmer. Het enige wat hem op hoge leeftijd mismoedig kon stemmen, was het idee dat hij, voor hij 'ex pipo' ging, niet alles had kunnen lezen wat hij wilde.